ECLI:NL:HR:2012:BX9197

Hoge Raad

Datum uitspraak
5 oktober 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11/01570
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 12 lid 1 letter c Wet belastingen op milieugrondslagWet belastingen op milieugrondslag
Verwijzingen
9 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling afvalstoffenbelasting bij sanering voormalige stortplaats als werk of inrichting

Belanghebbende kreeg naheffingsaanslagen en een boete opgelegd voor afvalstoffenbelasting over de jaren 1999 tot en met 2004. Na bezwaar en beroep vernietigde het Hof de naheffingsaanslagen en boetebeschikking, oordelend dat de locatie een 'werk' was en geen 'inrichting' in de zin van de Wet belastingen op milieugrondslag. De Staatssecretaris stelde hiertegen cassatieberoep in.

De Hoge Raad bevestigt het oordeel van het Hof dat de locatie moet worden aangemerkt als een werk, omdat de afvalstoffen werden gebruikt voor het aanbrengen van een bovenafdichting in het kader van sanering, en niet voor heropening van de voormalige stortplaats. Het hof had geoordeeld dat de afvalstoffen nuttig werden hergebruikt en dat de locatie een speciale afzonderlijke locatie betrof.

De Hoge Raad verwierp de argumenten dat sprake zou zijn van een inrichting omdat afvalstoffen werden gebruikt voor een eindafwerkingslaag of omdat afvalstoffen op de locatie werden opgeslagen om eeuwigdurend te blijven. De oordelen van het Hof bevatten geen onjuiste rechtsopvattingen en zijn niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.

De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep ongegrond en wees af dat proceskosten worden toegewezen. Het arrest bevestigt de uitleg van artikel 12, lid 1, letter c, van de Wet belastingen op milieugrondslag in relatie tot sanering en afvalstoffenbelasting.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep van de Staatssecretaris ongegrond en bevestigt dat de locatie als werk moet worden aangemerkt, waardoor geen afvalstoffenheffing verschuldigd is.

Uitspraak

5 oktober 2012
Nr. 11/01570
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 17 februari 2011, nrs. P09/00164 en 09/00165, betreffende aan X B.V. te Z (hierna: belanghebbende) opgelegde naheffingsaanslagen in de afvalstoffenbelasting en een daarbij gegeven boetebeschikking.
1. Het geding in feitelijke instanties
Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 1999 tot en met 31 december 2003 een naheffingsaanslag in de afvalstoffenbelasting opgelegd, alsmede een boete. Aan belanghebbende is tevens over het tijdvak 1 januari 2004 tot en met 31 december 2004 een naheffingsaanslag in de afvalstoffenbelasting opgelegd. De naheffingsaanslagen en de boetebeschikking zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraken van de Inspecteur gehandhaafd.
De Rechtbank te Haarlem (nrs. AWB 08/2499 en 08/2501) heeft het beroep tegen de uitspraak van de Inspecteur betreffende de boetebeschikking gegrond verklaard, die uitspraak vernietigd, de boete verminderd, en het beroep voor het overige ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.
Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank, de uitspraken van de Inspecteur, de naheffingsaanslagen en de boetebeschikking vernietigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
De Staatssecretaris heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
3. Beoordeling van het middel
3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
Belanghebbende heeft in 1991 een voormalige stortplaats in eigendom verkregen. Deze stortplaats is in september 1980 gesloten. De betreffende locatie (hierna: de locatie) is vervolgens in de eerste helft van de jaren tachtig voorzien van een laag schone grond vermengd met slib en daarna gebruikt voor de teelt van maïs en als weidegrond. In de onderhavige naheffingstijdvakken heeft belanghebbende de locatie, in het kader van de sanering daarvan, met behulp van aldaar aangevoerde afvalstoffen voorzien van een bovenafdichting.
3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat de locatie moet worden aangemerkt als een 'werk' in de zin van artikel 12, lid 1, letter c, van de Wet belastingen op milieugrondslag (hierna: de Wet), zodat de ter zake van het storten van de hiervoor in 3.1 vermelde aangevoerde afvalstoffen geen afvalstoffenheffing verschuldigd is. Het Hof heeft aan dat oordeel ten grondslag gelegd zijn oordelen (i) dat de locatie kan worden aangemerkt als een 'speciale afzonderlijke locatie', (ii) dat belanghebbende alleen 'bepaalde soorten afvalstromen' heeft gebruikt, (iii) dat de in ontvangst genomen afvalstoffen 'nuttig zijn (her)gebruikt', een en ander in de zin van het arrest van de Hoge Raad van 30 mei 2001, nr. 34368, LJN AB1839, BNB 2002/205, en voorts zijn oordeel dat de afgifte van de afvalstoffen plaatsvond in het kader van sanering van de locatie en niet in het kader van heropening van de voormalige stortplaats. Hiertegen richt zich het middel met rechts- en motiveringsklachten.
3.3.1. Voor zover het middel 's Hofs oordelen bestrijdt met het betoog dat sprake is van een inrichting in de zin van de Wet reeds vanwege de omstandigheid dat belanghebbende de aangevoerde afvalstoffen heeft gebruikt voor het aanbrengen van een eindafwerkingslaag op de voormalige stortplaats, faalt het. Die omstandigheid kan weliswaar ertoe leiden dat sprake is van een inrichting in de zin van de Wet Milieubeheer, maar brengt niet zonder meer mee dat ook sprake is van een inrichting in de zin van artikel 12, lid 1, letter c, van de Wet. Daarvan is eerst sprake indien de locatie niet kan worden aangemerkt als een werk in de zin van laatstgenoemde bepaling (zie HR 11 februari 2005, nr. 39179, LJN AS5794, BNB 2005/157, rechtsoverweging 3.2.4). Het oordeel van het Hof dat in dit geval sprake is van een werk in deze zin berust niet op een onjuiste rechtsopvatting en kan, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie verder niet op juistheid worden getoetst. Daaraan doet niet af dat het werk de gehele voormalige stortplaats beslaat, aangezien, gelet op de door het Hof vastgestelde feiten, de door belanghebbende ontvangen afvalstoffen niet zijn vermengd met het voorheen gestorte materiaal.
3.3.2. Voor zover het middel 's Hofs oordelen bestrijdt met de opvatting dat sprake is van een inrichting in de zin van artikel 12, lid 1, letter c, van de Wet, reeds omdat de aan belanghebbende afgegeven afvalstoffen op de locatie zijn opgeslagen om daar in principe eeuwigdurend te blijven, faalt het eveneens, omdat die opvatting onjuist is (zie rechtsoverweging 3.4.3 van het hiervoor in 3.2 genoemde arrest).
3.3.3. 's Hofs hiervoor in 3.2 weergegeven oordelen geven ook overigens geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kunnen voor het overige, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie niet op juistheid worden getoetst. De oordelen zijn evenmin onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren D.G. van Vliet, C.H.W.M. Sterk, P.M.F. van Loon en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 5 oktober 2012.
Van de Staat wordt ter zake van het door de Staatssecretaris van Financiën ingestelde beroep in cassatie een griffierecht geheven van € 454.