ECLI:NL:HR:2012:BX9942
Hoge Raad
- Cassatie
- J.A.C.A. Overgaauw
- C.B. Bavinck
- C.H.W.M. Sterk
- Rechtspraak.nl
Beoordeling toepassing aftrekbepaling vennootschapsbelasting voor BV van charitatieve instelling
Belanghebbende, een BV opgericht door een charitatieve instelling, kreeg voor het jaar 2005 een aanslag vennootschapsbelasting opgelegd. Na bezwaar en beroep bij de Rechtbank en het Hof werd de aanslag verminderd en de uitspraak van de Inspecteur vernietigd. De Inspecteur stelde hoger beroep in bij de Hoge Raad.
De kernvraag was of een BV, die commerciële activiteiten verricht ten behoeve van haar moedermaatschappij (een charitatieve instelling), gebruik kan maken van de aftrekbepaling van artikel 9, lid 1, onderdeel i van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 zonder dat er een voorafgaande schriftelijke overeenkomst bestaat.
De Hoge Raad oordeelde dat de BV niet zelf het algemeen belang behartigt maar een zelfstandige commerciële rechtspersoon is. De aftrek is alleen mogelijk indien de dividenduitkering plaatsvindt overeenkomstig statuten of een schriftelijke overeenkomst, zonder ernstige concurrentieverstoring en binnen de wettelijke beperkingen.
Het cassatiemiddel dat stelde dat de Staatssecretaris in het Besluit van 20 november 2002 vertrouwen had gewekt dat geen schriftelijke overeenkomst nodig was, faalde. De Hoge Raad bevestigde dat uit het Besluit niet kan worden afgeleid dat werkzaamheden verricht vóór het tot stand komen van een schriftelijke overeenkomst onder de aftrekregeling vallen.
De Hoge Raad verklaarde het beroep ongegrond en legde geen proceskostenveroordeling op.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt dat zonder schriftelijke overeenkomst geen aftrek op grond van artikel 9 lid 1 onderdeel i mogelijk is.