ECLI:NL:HR:2012:BY1209

Hoge Raad

Datum uitspraak
21 december 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11/03696
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:629a lid 1 BWArt. 7:629 BWArt. 81 lid 1 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging nietigheid ontslag op staande voet en loondoorbetaling

De zaak betreft een geschil tussen ABN AMRO Bank N.V. en een voormalige werknemer die op 7 februari 2001 in dienst trad. De werknemer werd op 12 juni 2006 op staande voet ontslagen wegens vermeende overtreding van gedragsregels tijdens arbeidsongeschiktheid, waaronder het niet bereikbaar zijn voor controle door de arbodienst.

De werknemer betwistte de rechtmatigheid van het ontslag en vorderde loonbetaling. De kantonrechter oordeelde aanvankelijk in haar voordeel, maar het gerechtshof stelde ABN AMRO in het gelijk en wees de loonvordering af. Vervolgens stelde de werknemer beroep in cassatie in bij de Hoge Raad.

De Hoge Raad oordeelde dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig was omdat de door ABN AMRO aangevoerde gronden niet voldoende waren vastgesteld of niet ernstig genoeg waren. Tevens werd geoordeeld dat ABN AMRO vanaf 12 juni 2006 niet bevoegd was om de loonbetaling op te schorten. De loonvordering over de periode van 1 tot en met 11 juni 2006, inclusief vakantiegeld, werd eveneens toegewezen met een gematigde wettelijke verhoging.

De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep van ABN AMRO en veroordeelde de bank in de proceskosten. De uitspraak bevestigt het belang van correcte toepassing van de wettelijke vereisten bij ontslag op staande voet en de bescherming van werknemersrechten bij arbeidsongeschiktheid.

Uitkomst: Het ontslag op staande voet is niet rechtsgeldig en ABN AMRO is veroordeeld tot loondoorbetaling over juni 2006.

Uitspraak

21 december 2012
Eerste Kamer
11/03696
DV/MD
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
ABN AMRO BANK N.V.,
gevestigd te Amsterdam,
EISERES tot cassatie,
advocaten: mr. L.B. de Graaf en mr. J.P. Heering,
t e g e n
[Verweerster],
wonende te [woonplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: aanvankelijk mr. R.A.A. Duk en mr. P.A. Ruig, thans mr. S.F. Sagel.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als ABN AMRO en [verweerster].
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de vonnissen in de zaak CV 08-5301 van de kantonrechter te Hilversum van 21 januari 2009 en 1 juli 2009;
b. het arrest in de zaak 200.044.396/01 van het gerechtshof te Amsterdam van 3 mei 2011.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft ABN AMRO beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
[Verweerster] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Timmerman strekt tot verwerping.
De advocaat van ABN AMRO heeft bij brief van 2 november 2012 op die conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van het middel
3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan:
[Verweerster] is op 7 februari 2001 bij ABN AMRO in dienst getreden. Zij was laatstelijk werkzaam tegen een salaris van € 1.812,50 bruto. Op de dienstbetrekking is de collectieve arbeidsovereenkomst voor de ABN AMRO Bank van toepassing. Onderdeel van deze cao zijn de gedragsregels bij arbeidsongeschiktheid. Deze leggen aan de zieke werknemer de verplichting op zich bij ziekte te melden bij zijn leidinggevende; hij dient steeds bereikbaar te zijn en indien hij verpleegd wordt op een ander adres dan het huisadres dient de werknemer dat door te geven aan zijn leidinggevende. ABN AMRO heeft [verweerster] op 12 juni 2006 een brief gezonden waarin zij op staande voet wordt ontslagen wegens het niet bereikbaar zijn voor controle door de arbodienst en overtreding van de gedragsregels tijdens arbeidsongeschiktheid. [Verweerster] heeft bij brief van 14 juni 2006 een beroep gedaan op de vernietigbaarheid van het ontslag.
ABN AMRO is bij kort geding vonnis van de kantonrechter van 16 oktober 2006 veroordeeld tot doorbetaling van het verschuldigde loon vanaf 12 juni 2006 tot het tijdstip waarop de dienstbetrekking rechtsgeldig zal zijn geëindigd. Bij beschikking van de kantonrechter van 16 oktober 2006 is de arbeidsovereenkomst (voor zover deze na 12 juni 2006 nog bestaat) ontbonden met ingang van 1 november 2006.
ABN AMRO heeft ter uitvoering van het kortgedingvonnis een bedrag aan [verweerster] betaald van € 11.349,16. Bij arrest van 1 mei 2007 heeft het gerechtshof te 's-Hertogenbosch het kortgedingvonnis vernietigd en de loonvordering van [verweerster] alsnog afgewezen.
3.2 ABN AMRO vordert, voor zover in cassatie van belang, terugbetaling van € 11.349,16. Zij stelt daartoe dat het aan [verweerster] gegeven ontslag op staande voet rechtsgeldig is en dat het door ABN AMRO ter uitvoering van het kortgedingvonnis aan [verweerster] betaalde bedrag onverschuldigd is betaald. [Verweerster] heeft verweer gevoerd en in reconventie gevorderd, voor zover hier van belang, een verklaring voor recht dat het ontslag op staande voet nietig is. Voorts vordert zij betaling van het over de periode van 1 juni 2006 tot en met 11 juni 2006 verschuldigde salaris en vakantiegeld. De rechtbank heeft de vorderingen van ABN toegewezen en die van [verweerster] afgewezen.
3.3 Het hof heeft, kort samengevat, de vorderingen van ABN AMRO afgewezen en die van [verweerster] toegewezen.
Het heeft geoordeeld dat de door ABN AMRO aangevoerde gronden niet een ontslag op staande voet rechtvaardigen omdat zij voor een deel niet als vaststaand kunnen worden aangenomen en voor het overige niet als ernstig genoeg worden gewaardeerd. Voorts overweegt het hof (rov. 4.11):
"De grieven I en II slagen derhalve. Dit betekent dat de vordering van ABN AMRO alsnog moet worden afgewezen en dat de door [verweerster] gevorderde verklaringen voor recht - het hof leest in plaats van "nietig" in haar petitum onder I "niet rechtsgeldig" - alsnog (als verder niet bestreden) moeten worden toegewezen. In het voorgaande ligt besloten dat en waarom ABN AMRO vanaf 12 juni 2006 niet langer bevoegd was tot opschorting van de betaling van het loon van [verweerster]. De vordering tot loonbetaling over de periode 1 juni 2006 t/m 11 juni 2006, verhoogd met vakantietoeslag, is daarom eveneens toewijsbaar. Grief III slaagt daarom. Het hof zal de wettelijke verhoging matigen tot een bedrag van € 120,-."
3.4 Onderdeel 2 van het middel bestrijdt dit oordeel onder meer met de klacht dat indien het hof zijn oordeel dat de verklaring voor recht dat [verweerster] recht heeft op doorbetaling van loon over de periode van 12 juni 2006 tot 1 november 2006 moet worden toegewezen, heeft gebaseerd op art. 7:629 BW Pro, het heeft miskend dat het de desbetreffende loonvordering (zo nodig ambtshalve) diende af te wijzen, althans dat het [verweerster] in die vordering niet-ontvankelijk had moeten verklaren, omdat bij die vordering niet een verklaring was gevoegd als bedoeld in art. 7:629a lid 1 BW.
Deze klacht kan niet tot cassatie leiden, omdat de stelling dat bij de vordering van [verweerster] een verklaring als bedoeld in art. 7:629a BW had moeten worden gevoegd, in dit geding niet eerder is aangevoerd en daarom, gelet op de omstandigheid dat zij een onderzoek van feitelijke aard vergt, in cassatie buiten beschouwing moet blijven.
3.5 De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt ABN AMRO in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerster] begroot op € 365,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.B. Bakels als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, A.H.T. Heisterkamp, M.A. Loth, en C.E. Drion, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer J.C. van Oven op 21 december 2012.