ECLI:NL:HR:2012:BY2255

Hoge Raad

Datum uitspraak
4 december 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10/04386
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 81 RO
Verwijzingen
4 uitgaand · 4 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en vermindering geldboete wegens overschrijding redelijke termijn

In deze cassatieprocedure tegen het arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 21 september 2010, heeft de Hoge Raad het bestreden arrest vernietigd voor zover het de strafoplegging betreft. Het hof had de verdachte veroordeeld tot een geldboete van € 7.500,-, waarbij abusievelijk in het dictum stond vermeld dat dit tienduizend euro betrof. De Hoge Raad corrigeert dit en leest het bedrag als € 7.500,-.

Daarnaast oordeelt de Hoge Raad dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM is overschreden doordat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden en de uitspraak pas na meer dan twee jaar na het cassatieberoep is gedaan. Dit leidt tot vermindering van de geldboete en de duur van de vervangende hechtenis.

De Hoge Raad wijst de zaak terug naar het hof of een aangrenzend hof voor hernieuwde berechting en afdoening van de strafoplegging, met verwerping van het cassatieberoep voor het overige. De overige middelen van cassatie worden verworpen omdat zij niet leiden tot beantwoording van rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest voor de strafoplegging, vermindert de geldboete en verwijst de zaak terug voor hernieuwde berechting.

Uitspraak

4 december 2012
Strafkamer
nr. S 10/04386
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 21 september 2010, nummer 20/000805-08, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren te [geboortedatum] op [geboortedatum] 1950.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. C.W. Noorduyn, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging, en tot terugwijzing van de zaak naar het Hof dan wel verwijzing van de zaak naar een aangrenzend hof teneinde in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan, met verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van het eerste tot en met het zesde middel
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3. Beoordeling van het zevende middel
3.1. Het middel klaagt dat 's Hofs strafoplegging onbegrijpelijk is.
3.2. Het dictum van het bestreden arrest houdt omtrent de opgelegde straf het volgende in:
"Veroordeelt verdachte tot een geldboete van EUR 7.500,00 (tienduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 72 (twee en zeventig) dagen hechtenis.
Bepaalt, dat een gedeelte van de geldboete, groot EUR 5.000,00 (vijfduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat verdachte zich vóór het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Bepaalt, dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde geldboete in mindering wordt gebracht volgens de maatstaf van EUR 50,00 (vijftig) euro per dag."
3.3. Het is klaarblijkelijk de bedoeling van het Hof geweest om aan de verdachte een geldboete op te leggen ten belope van € 7.500,-, mede in aanmerking genomen dat het Hof het aantal dagen vervangende hechtenis bij gebreke van betaling en verhaal heeft bepaald op 72 dagen en in de kennelijk door het Hof toegepaste oriëntatiepunten voor straftoemeting en LOVS-afspraken dit aantal dagen wordt gekoppeld aan een dergelijke geldboete. Het Hof heeft derhalve kennelijk abusievelijk het geldbedrag tussen haakjes met "tienduizend euro" in woorden uitgedrukt. De Hoge Raad leest daarom dit bedrag verbeterd, in dier voege dat daar waar "(tienduizend euro)" is vermeld, gelezen wordt "(zevenduizend en vijfhonderd euro)". Door deze verbeterde lezing wordt de verdachte niet benadeeld.
3.4. Het middel is tevergeefs voorgesteld.
4. Beoordeling van het achtste middel
4.1. Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.
4.2. Het middel is gegrond. Voorts doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde geldboete van € 7.500,-, subsidiair 72 dagen hechtenis, waarvan € 5.000,-, subsidiair 60 dagen hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.
5. Slotsom
Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.
6. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde geldboete en de duur van de vervangende hechtenis;
vermindert de geldboete en de duur van de vervangende hechtenis in die zin dat deze € 7.375,-, subsidiair 71 dagen hechtenis, bedraagt, waarvan € 5.000,-, subsidiair 60 dagen hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren;
verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en N. Jörg, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 4 december 2012.