ECLI:NL:HR:2012:BY2665
Hoge Raad
- Cassatie
- J.A.C.A. Overgaauw
- P. Lourens
- C.H.W.M. Sterk
- P.M.F. van Loon
- M.A. Fierstra
- Rechtspraak.nl
Vaststelling niet-verhoudingsgewijs aanzienlijke belastingnavordering bij onvolledige aangifte
Belanghebbende, directeur-grootaandeelhouder van een BV, kreeg een navorderingsaanslag opgelegd wegens vermeende onjuiste aangifte inkomstenbelasting over 2000, gerelateerd aan verbouwingskosten van zijn privéwoning. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en verminderde de aanslag, maar het hof vernietigde deze uitspraak en oordeelde dat belanghebbende niet de vereiste aangifte had gedaan, omdat de belasting volgens het hof 5,54% lager was dan verschuldigd.
De Hoge Raad heeft in cassatie overwogen dat een verschil van 5,54% (ƒ 4513) niet als verhoudingsgewijs aanzienlijk kan worden aangemerkt, in lijn met eerdere jurisprudentie. Het hof had onvoldoende feiten om het resterende bedrag van ƒ 15.700 aan de winst toe te rekenen. Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest van het hof, bevestigt het oordeel van de rechtbank en wijst de navorderingsaanslag af.
Daarnaast veroordeelt de Hoge Raad de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het cassatiegeding en de Inspecteur in de kosten voor het hof. Het arrest is gewezen door vijf raadsheren onder voorzitterschap van vice-president Overgaauw en in het openbaar uitgesproken op 9 november 2012.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en bevestigt dat het belastingverschil van 5,54% niet verhoudingsgewijs aanzienlijk is, waardoor de navorderingsaanslag onterecht is opgelegd.