ECLI:NL:HR:2012:BY3891
Hoge Raad
- Cassatie
- J.A.C.A. Overgaauw
- D.G. van Vliet
- E.N. Punt
- C.H.W.M. Sterk
- M.A. Fierstra
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt dat terbeschikkingstelling van kamers aan prostituees geen verhuur onroerend goed is maar gelegenheid tot prostitutie
Belanghebbende exploiteert een raamprostitutiebedrijf in meerdere panden in 's-Gravenhage en stelde werkkamers en vitrines tegen vergoeding ter beschikking aan prostituees. De vraag was of deze prestatie moest worden aangemerkt als verhuur van onroerend goed, die vrijgesteld is van omzetbelasting, of als het geven van gelegenheid tot prostitutie, een belaste prestatie.
De Rechtbank verklaarde het beroep van belanghebbende ongegrond, maar het Hof vernietigde deze uitspraak en oordeelde dat de terbeschikkingstelling van de kamers als verhuur van onroerend goed moest worden aangemerkt, ondanks de aanvullende diensten en het doel van de exploitatie. De Staatssecretaris stelde hiertegen beroep in cassatie in.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof ten onrechte de terbeschikkingstelling van de kamers heeft onderscheiden van de overige diensten en dat de prestatie in haar geheel moet worden gezien als het geven van gelegenheid tot prostitutie. De verhuur van onroerend goed is een passieve activiteit, maar hier is sprake van een dienst die gericht is op het scheppen van een omgeving voor het uitoefenen van het beroep. Het beroep in cassatie wordt gegrond verklaard, het arrest van het hof vernietigd en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de prestatie van belanghebbende het geven van gelegenheid tot prostitutie betreft en geen verhuur van onroerend goed is, waardoor geen teruggaaf van omzetbelasting wordt toegekend.