ECLI:NL:HR:2012:BY3897

Hoge Raad

Datum uitspraak
23 november 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
12/00741
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.8 Wet IB 2001
Verwijzingen
3 uitgaand · 5 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlies op risicovolle belegging in vordering niet aftrekbaar als ondernemingsverlies

Belanghebbende, samen met haar echtgenoot eigenaar van een tandartsenpraktijk in de vorm van een VOF, had tijdelijk overtollige liquide middelen uitgeleend aan een derde zonder zekerheden en buiten de bedrijfsuitoefening. Er ontstond een verlies op deze vordering.

De Rechtbank verklaarde het beroep van belanghebbende gegrond en verminderde de aanslag inkomstenbelasting, maar het Hof vernietigde deze uitspraak en verklaarde het beroep ongegrond. Belanghebbende stelde vervolgens cassatie in bij de Hoge Raad.

De Hoge Raad overweegt dat voor de vraag of een lening tot het ondernemingsvermogen behoort, beslissend is of de lening binnen de normale uitoefening van de onderneming is verstrekt. Belegging van tijdelijk overtollige liquide middelen is slechts onderdeel van het ondernemingsvermogen als redelijkerwijs kan worden aangenomen dat deze middelen tijdig weer beschikbaar zijn in de onderneming. Risicovolle beleggingen vallen hier niet onder.

Het Hof oordeelde dat de belegging risicovol was en dat belanghebbende onredelijk handelde door de vordering tot het ondernemingsvermogen te rekenen. Dit oordeel is niet onbegrijpelijk en kan in cassatie niet worden bestreden. De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond en veroordeelt belanghebbende niet in de proceskosten.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt dat het verlies op de risicovolle vordering niet aftrekbaar is als ondernemingsverlies.

Uitspraak

23 november 2012
nr. 12/00741
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van X-Y te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 5 januari 2012, nr. 10/00413, betreffende een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Aan belanghebbende is voor het jaar 2006 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.
De Rechtbank te Haarlem (nr. AWB 09/2157) heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd en de aanslag verminderd.
De Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.
Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank vernietigd en het bij de Rechtbank ingestelde beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
3. Beoordeling van het middel
3.1. Belanghebbende drijft samen met haar echtgenoot een tandartsenpraktijk in de vorm van een vennootschap onder firma (hierna: de VOF). De VOF heeft middelen die binnen de onderneming tijdelijk overtollig waren, aan een derde uitgeleend (hierna: de vordering). Ter zake van de vordering zijn geen zekerheden bedongen of gesteld. De vordering hield overigens geen verband met de bedrijfsuitoefening. Belanghebbende heeft een verlies geleden op de vordering. In geschil is of dit verlies ten laste van de winst van belanghebbende moet worden gebracht.
3.2. Bij de behandeling van het middel wordt het volgende vooropgesteld. Voor het antwoord op de vraag of een door een ondernemer verstrekte lening al dan niet tot diens ondernemingsvermogen moet worden gerekend, is beslissend of hij die lening al dan niet heeft verstrekt binnen het kader van de normale uitoefening van zijn onderneming. Binnen bedoeld kader valt niet de verstrekking van een lening uit liquide middelen van de onderneming voor doeleinden welke aan de onderneming vreemd zijn, tenzij sprake is van de belegging van tijdelijk overtollige liquide middelen op een zodanige wijze dat redelijkerwijze moet worden aangenomen dat de aldus belegde middelen tijdig weer in de onderneming beschikbaar zullen zijn (vgl. HR 3 april 1985, nr. 22864, BNB 1986/352). Hiervan is geen sprake in geval van risicovolle beleggingen. De aan dergelijke beleggingen verbonden risico's zijn een gevolg van een buiten de ondernemingssfeer gelegen keuze. Daarom mogen de resultaten uit dergelijke beleggingen niet aan de onderneming worden toegerekend.
3.3. Het Hof heeft geoordeeld dat de gelden op risicovolle wijze werden belegd. Voor zover het middel tegen dit oordeel opkomt, faalt het. Het oordeel kan, als van feitelijke aard en niet onbegrijpelijk, in cassatie niet met vrucht worden bestreden. Het middel faalt ook voor het overige. In aanmerking nemend het hiervoor in 3.2 overwogene, heeft het Hof terecht beslist dat belanghebbende de grenzen der redelijkheid heeft overschreden door de vordering tot het ondernemingsvermogen te rekenen.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren C.B. Bavinck en P.M.F. van Loon, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 23 november 2012.