ECLI:NL:HR:2012:BY3897
Hoge Raad
- Cassatie
- J.A.C.A. Overgaauw
- C.B. Bavinck
- P.M.F. van Loon
- Rechtspraak.nl
Verlies op risicovolle belegging in vordering niet aftrekbaar als ondernemingsverlies
Belanghebbende, samen met haar echtgenoot eigenaar van een tandartsenpraktijk in de vorm van een VOF, had tijdelijk overtollige liquide middelen uitgeleend aan een derde zonder zekerheden en buiten de bedrijfsuitoefening. Er ontstond een verlies op deze vordering.
De Rechtbank verklaarde het beroep van belanghebbende gegrond en verminderde de aanslag inkomstenbelasting, maar het Hof vernietigde deze uitspraak en verklaarde het beroep ongegrond. Belanghebbende stelde vervolgens cassatie in bij de Hoge Raad.
De Hoge Raad overweegt dat voor de vraag of een lening tot het ondernemingsvermogen behoort, beslissend is of de lening binnen de normale uitoefening van de onderneming is verstrekt. Belegging van tijdelijk overtollige liquide middelen is slechts onderdeel van het ondernemingsvermogen als redelijkerwijs kan worden aangenomen dat deze middelen tijdig weer beschikbaar zijn in de onderneming. Risicovolle beleggingen vallen hier niet onder.
Het Hof oordeelde dat de belegging risicovol was en dat belanghebbende onredelijk handelde door de vordering tot het ondernemingsvermogen te rekenen. Dit oordeel is niet onbegrijpelijk en kan in cassatie niet worden bestreden. De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond en veroordeelt belanghebbende niet in de proceskosten.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt dat het verlies op de risicovolle vordering niet aftrekbaar is als ondernemingsverlies.