ECLI:NL:GHAMS:2012:BV0441
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing van afwaardering lening als ondernemingsverlies in vennootschap onder firma
Belanghebbende en haar echtgenoot drijven samen een tandartsenpraktijk in de vorm van een vennootschap onder firma (vof). In 2004 verstrekte de vof een lening van €50.000 aan een derde partij, waarbij de lening een rentevergoeding van 1% per maand had en direct opeisbaar was. De lening werd verstrekt uit tijdelijk overtollige liquide middelen van de onderneming, maar voor een aan de onderneming vreemd doel.
In 2006 bleek de lening oninbaar en werd deze afgeboekt tot nihil in de jaarrekening. Belanghebbende wilde de afwaardering van €25.000 als verlies ten laste van de winst brengen, maar de Belastingdienst weigerde dit. De rechtbank had het beroep van belanghebbende gegrond verklaard, maar het hof vernietigde deze uitspraak en verklaarde het beroep ongegrond.
Het hof oordeelde dat de lening niet tot het ondernemingsvermogen behoort omdat de middelen niet op een wijze waren belegd dat redelijkerwijs kon worden aangenomen dat deze tijdig weer beschikbaar zouden zijn voor de onderneming. De hoge rente duidt op een risicovolle belegging, vergelijkbaar met beleggen in vreemde valuta. Hierdoor kon het verlies niet als ondernemingsverlies worden aangemerkt.
De uitspraak bevestigt dat leningen uit tijdelijk overtollige middelen voor vreemde doeleinden niet automatisch tot het ondernemingsvermogen behoren en dat verliezen daarop niet zonder meer aftrekbaar zijn. Het hof wees het beroep van belanghebbende af en bevestigde de aanslag van de Belastingdienst.
Uitkomst: De afwaardering van de lening wordt niet als ondernemingsverlies erkend en mag niet ten laste van het resultaat van de vof worden gebracht.