Uitspraak
1.De procesgang in cassatie
2.Beslissing
18 oktober 2013.
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
3.Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
4.Slotsom
5.Beslissing
10 september 2013.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de Hoge Raad bij arrest van 10 september 2013 het vonnis van het Gerechtshof Amsterdam vernietigd voor wat betreft de hoogte van de betalingsverplichting ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De Hoge Raad stelde het bedrag toen vast op € 3.012.973,-. Later werd vastgesteld dat in dat arrest abusievelijk een verkeerd bedrag van € 3.017.973,80 was vermeld.
De Hoge Raad herstelt dit in het arrest van 18 oktober 2013 en verduidelijkt dat de betalingsverplichting moet worden verminderd tot € 1.956.515,-, uitgaande van het oorspronkelijke vonnis van de rechtbank dat een betalingsverplichting van € 1.961.515,80 oplegde. Deze vermindering volgt uit de overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM.
De Hoge Raad oordeelt dat de middelen van cassatie niet tot vernietiging kunnen leiden en dat de enige grond voor ambtshalve vernietiging de termijnoverschrijding is. De Hoge Raad bepaalt dat het arrest van 10 september 2013 moet worden gelezen met inachtneming van deze correcties. Het beroep wordt voor het overige verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad vermindert het ontnemingsbedrag tot € 1.956.515,- wegens overschrijding van de redelijke termijn en verwerpt het cassatieberoep voor het overige.