Conclusie
5.Het oordeel van de rechtbank
€ 1.961.515,80.
7.Beslissing:
€ 1.961.515,80.
€ 1.961.515,80(één miljoen negenhonderdéénenzestigduizend vijfhonderdvijtien euro en tachtig eurocent) aan de Staat.
eerste middelbehelst de klacht dat de motivering van het oordeel van het Hof dat er voldoende aanwijzingen bestaan dat de betrokkene zich in de periode januari 2001 tot en met 25 april 2005 tevens met andere strafbare feiten heeft beziggehouden dan waarvoor hij is veroordeeld, onbegrijpelijk is. In de toelichting op het middel wordt, onder verwijzing naar hetgeen namens de betrokkene tegenover zowel de rechtbank als het Hof is bepleit, het volgende aangevoerd. Het Hof heeft niet gemotiveerd dan wel inzichtelijk gemaakt waarom het Hof het door de rechtbank gemaakte onderscheid tussen drie perioden niet heeft gevolgd en waarom er voldoende aanwijzingen bestaan dat de betrokkene zich in de periode januari 2001 tot en met 25 april 2005 tevens met andere strafbare feiten heeft beziggehouden. De rechtbank heeft daartoe aansluiting gezocht bij de CIE-informatie en de overige aanwijzingen vanaf 2 mei 2005 (CIE-informatie viermaal) alsmede telefoongesprekken vanaf 11 februari 2005. Aan geen van deze CIE-informaties is echter te ontlenen dat de betrokkene ook al vóór januari 2005 zich zou hebben beziggehouden met Opiumwetmisdrijven. Over de periode begin 2001 tot en met begin 2004 is maar één CIE-informatie beschikbaar, die noch op zichzelf, noch bezien in samenhang met de overige informatie, de vereiste aannemelijkheid van het plegen van andere strafbare feiten oplevert. Daarbij komt dat er te minder aanleiding is aannemelijk te achten dat de betrokkene ook in de periode begin 2004 tot januari 2005, waarover helemaal geen informatie beschikbaar is, zich met andere strafbare feiten heeft beziggehouden.
tweede middelklaagt dat het Hof ten onrechte heeft bevestigd de uitspraak van de rechtbank dat voldoende aannemelijk is geworden dat de betrokkene betrokken is geweest bij drugsgerelateerde misdrijven en dat deze delicten in Nederland zijn gepleegd zodat de Nederlandse strafwet om die reden op hem van toepassing is.
derde middel, bezien in samenhang met de toelichting daarop, klaagt dat het Hof ten onrechte heeft bevestigd het oordeel van de rechtbank waarin het verweer dat het “Suriname-dossier” onbruikbaar is ter bepaling van het wederrechtelijk verkregen voordeel, heeft verworpen terwijl de motivering van die afwijzing onbegrijpelijk is. Aangevoerd wordt dat het Surinaamse onderzoek niet op een precieze periode ziet en als deelonderzoek een kortere periode kan beslaan dan het alomvattend hoofdonderzoek, en dat de rechtbank niet had kunnen uitgaan van de verklaring van de officier van justitie op dit punt gelet op het gemotiveerde betoog van de verdediging dat het Surinaamse onderzoek kennelijk op een kortere periode betrekking heeft gehad en de rechtbank derhalve niet heeft kunnen oordelen dat geen sprake was van een beginvermogen van [betrokkene] in Suriname.
vierde middelkeert zich tegen de afwijzing door het Hof van het (subsidiaire) verzoek van de verdediging om de bron van de CIE-informatie te horen indien aansluiting zou worden gezocht bij de CIE-informatie omtrent de pleegperiode begin 2001 tot en met begin 2004, terwijl de motivering van deze afwijzing onbegrijpelijk is. Nu de CIE-informatie de grond is voor het te bepalen wederrechtelijk verkregen voordeel en de betrokkene de inhoud daarvan betwist, had de betrokkene in de gelegenheid gesteld moeten worden om de bron van deze informatie te horen, aldus de steller van het middel.