In deze zaak heeft verzoeker cassatieberoep ingesteld tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag inzake de afwijzing van een verzoek tot toelating tot de schuldsanering natuurlijke personen (WSNP). De Hoge Raad verwijst naar eerdere vonnissen en arresten in de zaak voor de feitelijke gang van zaken.
De Procureur-Generaal heeft betoogd dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk moet worden verklaard op grond van artikel 80a lid 1 van het Wetboek van Rechtsvordering (RO), omdat verzoeker onvoldoende belang heeft bij de behandeling van het beroep of omdat de klachten niet tot cassatie kunnen leiden. Verzoekers advocaat heeft hierop gereageerd, maar de Hoge Raad volgt het standpunt van de Procureur-Generaal.
De Hoge Raad oordeelt dat de klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen en verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Omdat het beroep niet-ontvankelijk is, wordt het verzoek om een voorlopige voorziening niet behandeld. Het arrest is op 25 oktober 2013 gewezen en in het openbaar uitgesproken.