Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2013:1037

Hoge Raad

Datum uitspraak
25 oktober 2013
Publicatiedatum
24 oktober 2013
Zaaknummer
12/03040
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 lid 1 HnwArt. 6:162 BWArt. 245 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad over onrechtmatige daad bij procedure op naam niet-bestaande vennootschap

In deze zaak stond centraal de vraag of het voeren van een procedure op naam van een niet-bestaande vennootschap onrechtmatig was jegens de tegenpartij, de Gemeente De Ronde Venen. De eiser, handelend onder een handelsnaam, had de gemeente gedagvaard voor een bedrag van € 442.567,--, maar was abusievelijk op naam van een niet-bestaande B.V. verschenen. Nadat de gemeente bezwaar maakte tegen deze rectificatie, werd de eiser niet-ontvankelijk verklaard en veroordeeld tot betaling van proceskosten.

De Gemeente vorderde in een volgende procedure vergoeding van deze proceskosten op grond van onrechtmatige daad (artikel 6:162 BW Pro) in verbinding met artikel 4 lid 1 van Pro de Handelsnaamwet, dat het gebruik van een handelsnaam die de indruk wekt van rechtspersoonlijkheid verbiedt indien dit niet klopt. Het hof had deze vordering grotendeels toegewezen.

De Hoge Raad oordeelde echter dat in de gegeven omstandigheden geen sprake was van onrechtmatig handelen door de eiser. De gemeente had immers zelf een niet-ontvankelijkheidsverweer gevoerd, de vergissing was duidelijk en de gemeente had bezwaar gemaakt tegen de rectificatie. Daarom bood artikel 4 lid 1 Hnw Pro in verbinding met artikel 6:162 BW Pro geen grondslag voor de vordering. De Hoge Raad vernietigde het hofarrest voor zover de vordering was toegewezen en wees deze af.

De Hoge Raad veroordeelde de gemeente tot betaling van de kosten van het cassatiegeding.

Uitkomst: De Hoge Raad wijst de reconventionele vordering tot vergoeding van proceskosten wegens procedure op naam van een niet-bestaande vennootschap af.

Uitspraak

25 oktober 2013
Eerste Kamer
nr. 12/03040
EE/AS
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[eiser], handelend onder de naam [A],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. H.J.W. Alt,
t e g e n
DE GEMEENTE DE RONDE VENEN,
zetelende te Mijdrecht, gemeente De Ronde Venen,
VERWEERSTER in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en de Gemeente.

1.Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de vonnissen in de zaak 259461/HA ZA 08-2535 van de rechtbank Utrecht van 11 februari 2009 en 21 april 2010;
b. de arresten in de zaak 200.072.897 van het gerechtshof te Amsterdam van 6 september 2011 en 17 januari 2012.
De arresten van het hof zijn aan dit arrest gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen de arresten van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Tegen de Gemeente is verstek verleend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot vernietiging van de arresten van het hof Amsterdam van 6 september 2011 en 17 januari 2012 en afdoening zoals in de conclusie vermeld.

3.Beoordeling van het middel

3.1
In cassatie kan worden uitgegaan van de feiten en het procesverloop zoals vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 1.1-1.12. Samengevat gaat het om het volgende.
(i) [A] B.V. (hierna ook: de B.V.) heeft de Gemeente gedagvaard en betaling gevorderd van € 442.567,--.
(ii) Nadat de Gemeente had verzocht de B.V. niet-ontvankelijk te verklaren op de grond dat deze vennootschap niet bestaat, heeft de B.V. rectificatie gevraagd omdat zij in de inleidende dagvaarding abusievelijk als partij is genoemd. De B.V. heeft aangevoerd dat de werkelijke naam is [eiser], tevens handelende onder de naam [A].
(iii) De rechtbank heeft het door de Gemeente gemaakte bezwaar tegen rectificatie gehonoreerd en bij vonnis van 15 oktober 2008 [A] (zonder de toevoeging B.V.) niet-ontvankelijk verklaard en veroordeeld in de proceskosten van de Gemeente ten bedrage van € 11.365,--. De rechtbank heeft vastgesteld dat van 1 juli 2001 tot 18 december 2007 sprake is geweest van de rechtsvorm [A] B.V. i.o. en dat blijkens het uittreksel uit het handelsregister van 21 maart 2008 geregistreerd staat de eenmanszaak “[A]”, gedreven voor rekening van [eiser].
(iv) De Gemeente heeft verbetering verzocht van het vonnis in die zin dat [A] wordt gewijzigd in “[eiser]”. De rechtbank heeft dit verzoek afgewezen. Zij overwoog onder meer dat in het dictum van het vonnis van 15 oktober 2008 is bedoeld de B.V. te vermelden.
3.2.1
[eiser] vordert in dit geding (opnieuw) betaling door de Gemeente van het bedrag van € 442.567,--.
De Gemeente vordert in reconventie betaling van het hiervoor in 3.1 onder (iii) genoemde bedrag van € 11.365,-- ter zake van de in de eerdere procedure toegewezen proceskosten alsmede € 136.018,-- op de grond dat [eiser] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verbintenis. De rechtbank heeft zowel in conventie als in reconventie de vordering afgewezen.
3.2.2
Het hof heeft het vonnis ten aanzien van de vordering in conventie bekrachtigd, maar ten aanzien van de vordering in reconventie vernietigd. Het heeft de reconventionele vordering van de Gemeente alsnog grotendeels toegewezen. Met betrekking tot de vordering van de Gemeente ter zake van eerdergenoemd bedrag van € 11.365,-- aan proceskosten heeft het hof in zijn tussenarrest (rov. 4.12) onder meer het volgende overwogen:
“4.12 Met de gemeente is het hof van oordeel dat [eiser], door op naam van een niet bestaande vennootschap een procedure te beginnen, in strijd heeft gehandeld met het [bepaalde] in artikel 4 lid 1 van Pro de Handelsnaamwet en dat zulks jegens de gemeente onrechtmatig was.
De gemeente heeft als gevolg hiervan schade geleden, bestaande uit de in het vonnis van 15 oktober 2008 geliquideerde proceskosten, die zij thans niet op [eiser] kan verhalen. De vordering tot vergoeding van de kosten, waarin de niet bestaande vennootschap [A] B.V. is veroordeeld, tezamen groot € 11.365,-, is dan ook toewijsbaar. (…)”.
In zijn eindarrest (rov. 2.6) overwoog het hof, voor zover in cassatie van belang, onder meer het volgende:
“2.6 (…) Voor zover het de procedure in reconventie betreft zal het vonnis worden vernietigd en zal [eiser] worden veroordeeld om aan de gemeente te voldoen een bedrag van € 99.786,- + € 11.365,- = € 111.151,-, te vermeerderen met de wettelijke rente (…)”
3.3
Onderdeel 2.3, dat is gericht tegen rov. 4.12 van het tussenarrest, is gegrond.
Ingevolge art. 4 lid 1 Handelsnaamwet Pro (hierna: Hnw) is het verboden een handelsnaam te voeren die in strijd met de waarheid de indruk wekt dat de onderneming rechtspersoonlijkheid bezit of een ander type rechtspersoonlijkheid dan de naam suggereert. Degene die schade lijdt door overtreding van art. 4 lid 1 Hnw Pro, kan in beginsel krachtens art. 6:162 BW Pro een vordering tot – onder meer – schadevergoeding instellen.
In het onderhavige geval echter kan niet worden geoordeeld dat [eiser] onrechtmatig jegens de Gemeente heeft gehandeld door de eerste procedure aanhangig te maken op naam van de B.V. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de Gemeente zich in die procedure heeft gesteld, dat zij toen een niet-ontvankelijkheidsverweer heeft gevoerd op de grond dat de B.V. niet bestond, dat de B.V. duidelijk heeft gemaakt dat sprake was van een vergissing en bedoeld was als partij te laten optreden [eiser] h.o.d.n. [A], en dat de Gemeente vervolgens bezwaar heeft gemaakt tegen deze rectificatie van de partij-aanduiding. Onder deze omstandigheden biedt art. 4 lid 1 Hnw Pro in verbinding met art. 6:162 BW Pro geen grondslag voor de reconventionele vordering van de Gemeente tot vergoeding van de proceskosten van de eerste procedure.
Het hiervoor overwogene brengt mee dat de bestreden arresten niet in stand kunnen blijven voor zover zij betrekking hebben op de reconventionele vordering van de Gemeente ter zake van die proceskosten en dat de overige klachten van het middel geen behandeling behoeven.
3.4
De Hoge Raad kan zelf de zaak afdoen omdat ook het door de Gemeente aan haar reconventionele vordering ten grondslag gelegde art. 245 Rv Pro haar niet kan baten.
De Gemeente heeft zich eerst op deze bepaling beroepen nadat het vonnis van 15 oktober 2008 in kracht van gewijsde was gegaan, en zij heeft nagelaten hoger beroep van dit vonnis in te stellen en in dit appel een beroep te doen op art. 245 Rv Pro.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
vernietigt de arresten van het gerechtshof te Amsterdam van 6 september 2011 en 17 januari 2012, doch uitsluitend voor zover daarbij de reconventionele vordering van de Gemeente tot betaling door [eiser] van een bedrag van € 11.365,--, vermeerderd met rente, is toegewezen;
wijst de reconventionele vordering van de Gemeente tot betaling door [eiser] van een bedrag van € 11.365,--, vermeerderd met rente, af;
veroordeelt de Gemeente in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiser] begroot op € 459,35 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.B. Bakels als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, M.A. Loth, G. Snijders en M.V. Polak, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.A. Loth op
25 oktober 2013.