De zaak betreft een verzoek tot machtiging voortgezet verblijf van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis op grond van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (Wet Bopz). De rechtbank Amsterdam had op 27 februari 2013 een beschikking gegeven waarbij de beslissing van de geneesheer-directeur tot intrekking van het voorwaardelijk ontslag werd bevestigd en een machtiging tot voortgezet verblijf werd verleend.
Betrokkene was op 23 januari 2013 onvrijwillig opgenomen op grond van artikel 14d lid 1 Wet Bopz, nadat de geldigheidsduur van de voorwaardelijke machtiging was verstreken en voordat op het verzoek tot nieuwe voorwaardelijke machtiging was beslist. Betrokkene maakte bezwaar tegen deze onvrijwillige opname en verzocht om onmiddellijke invrijheidstelling.
De Hoge Raad oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat de voorwaardelijke machtiging was geconverteerd in een voorlopige machtiging en vernietigde de beschikking. De zaak werd terugverwezen naar de rechtbank Amsterdam voor verdere behandeling en beslissing. Het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep van de Officier van Justitie werd verworpen.