Uitspraak
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof Den Haagvan 5 april 2013, nr. BK-12/00023, betreffende een naheffingsaanslag in de omzetbelasting en de daarbij gegeven boetebeschikking.
Hoge Raad
Belanghebbende kreeg een naheffingsaanslag omzetbelasting en een boetebeschikking opgelegd over het jaar 2003. Na bezwaar en beroep vernietigde de Rechtbank Haarlem de aanslag en boete gedeeltelijk en verminderde deze. Het Gerechtshof Amsterdam vernietigde vervolgens de uitspraak van de rechtbank voor zover het de boete betrof en verminderde de boete verder. De Hoge Raad vernietigde dit arrest en verwees de zaak terug naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage. Dit hof verklaarde het hoger beroep gedeeltelijk gegrond en vernietigde de boetebeschikking. Belanghebbende stelde hiertegen opnieuw cassatieberoep in.
De Hoge Raad oordeelt dat de middelen van belanghebbende niet tot cassatie kunnen leiden en dat geen nadere motivering nodig is omdat er geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling spelen. De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en wijst proceskostenveroordeling af. Het arrest werd uitgesproken op 25 oktober 2013 door de vice-president Overgaauw als voorzitter en raadsheren Van Vliet en Punt. De voorzitter was verhinderd te ondertekenen, waardoor het arrest door raadsheer Punt werd ondertekend.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt de vernietiging van de boetebeschikking door het gerechtshof.