Uitspraak
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de
Rechtbank Den Haagvan 8 mei 2013, nr. SGR 12/8320, betreffende een aan belanghebbende voor het jaar 2012 gegeven beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken.
Hoge Raad
Belanghebbende heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag inzake een beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (WOZ) voor het jaar 2012. De Hoge Raad beoordeelde de ontvankelijkheid van dit beroep.
Uit de processtukken blijkt dat de uitspraak van de rechtbank op 14 mei 2013 aan partijen is verzonden. Het beroepschrift in cassatie is echter pas op 9 juli 2013 bij de Hoge Raad ingediend, wat na de in artikel 6:7 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gestelde termijn van zes weken viel. Ook een beroep op artikel 6:9, lid 2, Awb bood geen grond voor tijdige indiening.
De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende vervolgens de gelegenheid gegeven om een toelichting te geven op de overschrijding, maar hier is geen gebruik van gemaakt. Daarom verklaarde de Hoge Raad het beroep niet-ontvankelijk.
De Hoge Raad wees geen proceskosten toe en deed de uitspraak in het openbaar op 25 oktober 2013, met raadsheer C. Schaap als voorzitter en raadsheren P.M.F. van Loon en M.A. Fierstra.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de beroepstermijn.