Uitspraak
1.De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
2.De aanvraag tot herziening
3.Beoordeling van de aanvraag
4.Beslissing
29 oktober 2013.
Hoge Raad
De Hoge Raad behandelde een aanvraag tot herziening van een vonnis van de Rechtbank Almelo waarin de aanvrager was veroordeeld voor opzettelijk brandstichten met gemeen gevaar voor goederen. De aanvrager stelde dat hij ten tijde van zijn bekennende verklaring tegenover de politie in een psychose verkeerde, waardoor deze verklaring niet betrouwbaar zou zijn en niet als bewijs had mogen dienen.
De Hoge Raad oordeelde dat voor herziening een nieuw, met bescheiden onderbouwd gegeven vereist is dat bij de oorspronkelijke terechtzitting niet bekend was en dat een ernstig vermoeden wekt dat het onderzoek tot een vrijspraak, ontslag van rechtsvervolging, niet-ontvankelijkheid of een lichtere straf zou hebben geleid. Het aangevoerde psychoseverweer was onvoldoende onderbouwd om aan deze criteria te voldoen.
Daarom werd de aanvraag tot herziening als kennelijk ongegrond verworpen. Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en twee raadsheren, waarbij de laatstgenoemden niet konden ondertekenen. De beslissing bevestigt dat een onvoldoende onderbouwd psychoseverweer niet leidt tot herziening van een definitief vonnis.
Uitkomst: De Hoge Raad wijst de aanvraag tot herziening af wegens onvoldoende onderbouwing van het psychoseverweer.