Conclusie
1.Inleiding
2.Waarover gaat deze zaak?
3.Opsporingsonderzoek
4.De uitspraak waarvan herziening wordt aangevraagd
5.Verzoeken tot nader onderzoek ex art. 461, eerste lid, Sv
6.De herzieningsaanvraag
- i) met betrekking tot de kennis en ervaring van de deskundige op het aan de orde zijnde vakgebied:
- - de door de deskundige gevolgde opleidingen, met vermelding van de specifieke vakgebieden waarin de deskundige is opgeleid;
- - de functies waarin de deskundige werkervaring heeft opgedaan;
- - een lijst van eventuele publicaties van de hand van de deskundige;
- - de eventuele opname van de deskundige in het Nederlands Register Gerechtelijk Deskundigen, en/of andere registraties of referenties waaruit kan worden afgeleid dat de vakkennis of ervaring van de deskundige voldoet aan de voor het desbetreffende vakgebied geldende maatstaven;
- ii) met betrekking tot de weergave en de onderbouwing van het inzicht van de deskundige op het aan de orde zijnde vakgebied:
- - de voorgelegde vraagstelling en de ter beschikking gestelde stukken en/of gegevens;
- - de door de deskundige gehanteerde onderzoeksmethode en de betrouwbaarheid daarvan, alsmede een inschatting van de mate van zekerheid waarmee de deskundige zijn conclusies heeft getrokken en/of de aan de uitkomsten van zijn onderzoek verbonden foutmarge;
- - de vraag in hoeverre het inzicht van de deskundige wordt ondersteund door dat van andere deskundigen;
- - de bronnen waarop het inzicht van de deskundige berust, daaronder begrepen de gebruikte literatuur en de geconsulteerde personen;
- iii) met betrekking tot de onderbouwing van de ‘nieuwheid’ van het inzicht van de deskundige:
- - de vraag in hoeverre het inzicht van de deskundige steunt op hetzij (a) ten tijde van het onderzoek ter terechtzitting nog onbekende wetenschappelijke ontdekkingen of inzichten, hetzij (b) een beoordeling van ten tijde van het onderzoek ter terechtzitting nog onbekende feiten of omstandigheden, hetzij (c) een ander deskundig oordeel omtrent de weging en betekenis van ten tijde van het onderzoek ter terechtzitting reeds bestaande wetenschappelijke inzichten, toegepast op ten tijde van dat onderzoek ter terechtzitting reeds bekende feiten en omstandigheden;
- - de vraag hoe het inzicht van de deskundige zich verhoudt tot eerdere inzichten van diezelfde en/of andere deskundigen zoals die uit het aan de uitspraak ten grondslag liggende dossier naar voren komen.”
"Het gerechtshof was dus niet bekend met de volledige inhoud van die opnames. Op basis van een integrale beoordeling van de opnames en aan de hand van een systematische vergelijking met de opgemaakte processen-verbaal van verhoor, komt de Commissie – mede op basis van de huidige wetenschappelijke inzichten over valse bekentenissen die ten tijde van de beoordeling door het gerechtshof evenmin in alle opzichten waren uitgekristalliseerd – tot het standpunt dat dit oordeel van het gerechtshof naar huidige wetenschappelijke inzichten thans niet meer houdbaar is. De Commissie heeft (onder meer) moeten vaststellen dat [medeveroordeelde 6] en [medeveroordeelde 2] niet uit eigen beweging met specifieke daderwetenschap zijn gekomen, dat zij daarentegen op relevante onderdelen zijn "gevoed" met daderinformatie door de verhorende verbalisanten, dat met name [medeveroordeelde 6] ook in zijn bekennende verklaringen uitlatingen heeft gedaan die aantoonbaar onjuist zijn, dat [medeveroordeelde 6] en [medeveroordeelde 2] op geen enkel moment coherente en min of meer vloeiende (bekennende) verklaringen hebben afgelegd, dat sprake is geweest van structurele druk die op [medeveroordeelde 6] en [medeveroordeelde 2] is uitgeoefend, dat verhoortechnieken zijn toegepast die de kans op onjuiste veroordelingen vergroten en dat de processen-verbaal van verhoor geen adequaat beeld geven van de afgelegde verklaringen en de wijze waarop die tot stand zijn gekomen."
7.De conclusies van de ACAS nader beschouwd
Afronding
Conclusie van de Commissie
“Elke keer als je liegt mag ik (er) dan een vinger afhakken of niet? Dan rook je straks niet meer hoor, hé. Dan rook je straks niet meer hoor.”
(“Gelul! Echt gelul!”) en op de tafel slaat. Hij zegt tegen [medeveroordeelde 6] dat [medeveroordeelde 6] hem zit op te naaien en dat hij weet dat [medeveroordeelde 6] daar op 2 september is geweest. Hij houdt [medeveroordeelde 6] voor dat [medeveroordeelde 2] zegt dat [medeveroordeelde 6] daar op 2 september is geweest, dat [medeveroordeelde 6] op de uitkijk heeft gestaan en [medeveroordeelde 6] erbij was. Ook meldt [verbalisant 5] dat [medeveroordeelde 9] zegt dat [medeveroordeelde 6] daar op 2 september geweest is.
“Jij! Bent! Er! Bij!”. [medeveroordeelde 6] ontkent dat hij daar geweest is. [verbalisant 5] buigt over [medeveroordeelde 6] heen, slaat op tafel en zegt:
“Aan de [a-straat] ! Je bent bij dat huis geweest waar die mevrouw vermoord is! Of niet?”[medeveroordeelde 6] ontkent wederom dat hij daar geweest is. [verbalisant 5] houdt [medeveroordeelde 6] voor dat hij in de auto heeft zitten wachten
(“De rol die jij zogenaamd niet wil doen.”). [medeveroordeelde 6] zegt dat dit niet zo is en het hem niks lijkt. [verbalisant 5] zegt dat [medeveroordeelde 6] dit wel gedaan heeft en vraagt of [medeveroordeelde 6] wel eens de foto heeft gezien van de vent die het gedaan heeft en hoe lang [medeveroordeelde 6] zijn baard al heeft;
“misschien ben jij wel degene die de moordenaar is. Je bent daar toch ook geweest!” (…) “Nou, haal die baard er maar eens af, je lijkt er toch perfect op, of niet?”. Ook zegt [verbalisant 5] dat [medeveroordeelde 6] buiten heeft staan wachten. [medeveroordeelde 6] ontkent dat hij de schutter is geweest en dat hij daar geweest is. [verbalisant 5] zegt dat het aan [medeveroordeelde 6] is om te bewijzen dat hij er op dat moment niet was en dat hij denkt dat [medeveroordeelde 6] dat niet redt. [verbalisant 5] houdt [medeveroordeelde 6] voor dat [medeveroordeelde 6] op 2 september een paar keer getankt heeft en dat dat allemaal klopt en dat hij de anderen niet op een leugen kan betrappen. [medeveroordeelde 6] herhaalt dat hij niks weet en dat hij daar niet is geweest. [verbalisant 5] zegt dat [medeveroordeelde 6] er wel is geweest;
“je was toch ook een van de chauffeurs, of niet?”. [verbalisant 5] noemt daarbij de namen van [medeveroordeelde 2] , [betrokkene 1] en [medeveroordeelde 9] . Veel geschreeuw over en weer over de vraag of [medeveroordeelde 6] daar op 2 september is geweest. [medeveroordeelde 6] blijft ontkennen dat hij daar geweest is. [verbalisant 5] zegt:
“Jawel, jij was daar. 2 september, woensdag 2 september, ben jij daar geweest. Jij weet exact wat daar gebeurd is. Ja? Maar jouw rol, jouw rol is misschien maar heel klein geweest, hè? Misschien ben jij wel niet de moordenaar, ja? Misschien ben jij wel helemaal niet de moordenaar! Is het dan niet belangrijk dat jij mij precies vertelt wat er gebeurd is, als jij niet de moordenaar bent? Want wie krijgt de zwaarste straf? Wie krijgt de zwaarste straf? [medeveroordeelde 6] [ [medeveroordeelde 6] ], wie krijgt de zwaarste straf?”. Als [verbalisant 5] wederom vraagt wie de zwaarste straf krijgt, antwoordt [medeveroordeelde 6] : “ [medeveroordeelde 1] en [medeveroordeelde 9] hebben eh villa gedaan.” [verbalisant 5] voegt toe dat [medeveroordeelde 6] op de uitkijk heeft gestaan en verhoorder [verbalisant 4] zegt dat [betrokkene 1] erbij was. [medeveroordeelde 6] zegt weer dat hij helemaal niks van de zaak weet. Verhoorder [verbalisant 5] herhaalt dat [medeveroordeelde 6] er wel bij geweest is en dat dat op papier staat en dat dat niet zomaar wordt verteld. De verhoorders wijzen [medeveroordeelde 6] er meermaals op dat hij maar zit te denken en dat hij dat niet moet doen maar dat hij moet praten. Ze willen weten welke rol hij gespeeld heeft. [verbalisant 5] houdt [medeveroordeelde 6] wederom voor dat anderen zeggen dat [medeveroordeelde 6] daar geweest is en dat [medeveroordeelde 6] en de anderen niet in café [B] zaten. Ook waarschuwen de verhoorders dat anderen kunnen gaan verklaren dat [medeveroordeelde 6] binnen is geweest. Vanaf dit moment stopt [medeveroordeelde 6] met ontkennen dat hij daar op 2 september is geweest en hij van niets weet. [medeveroordeelde 6] zegt dat hij alleen chauffeur was en “hun” te hebben achtergelaten en daar is blijven staan en dat “hun” gezegd hebben dat zij over een half uur/drie kwartier terug zouden komen. [medeveroordeelde 6] zegt dat hij met “hun” [medeveroordeelde 9] en [medeveroordeelde 1] bedoeld. Ook zegt hij dat hij niet weet wat “hun” binnen hebben gedaan. [verbalisant 4] zegt “s avonds” en [medeveroordeelde 6] bevestigt dat.
“Blauw is goed. Ik zal je helpen.”). Tevens deelt [verbalisant 18] mee dat de woning een oprit heeft.
Convicting the Innocent: Where criminal prosecutions Go Wrong, Cambridge, Massachusetts: Harvard University Press 2011. In dit boek analyseert Garrett de eerste 250 gerechtelijke dwalingen die in de V.S. door middel van 'DNA-exonerations' zijn blootgelegd. Hij trof in 40 van de 250 zaken gefingeerde bekentenissen aan.
avant la lettre– van het bestaan van die route bewust is geweest. Het hof heeft onderzoek verricht naar de wijze waarop de bekentenissen van [medeveroordeelde 6] en [medeveroordeelde 2] tot stand zijn gekomen en daartoe kennis genomen van de audiovisuele opnamen van de verhoren door de politie en wel – zoals ik eerder stelde – in ruimere mate dan de ACAS veronderstelt. Het kan niet anders dan dat het hof zich daarbij bewust is geweest van de risicofactoren die de kans op een valse bekentenis doen toenemen, zoals de druk waaraan de verdachten zijn blootgesteld, en ook van de wijze van verhoren, waarbij op een aantal punten ‘sturend’ is ondervraagd door de politie en zogenaamde daderinformatie als het ware op voorhand is weggegeven. Ook zal het hof zich er van bewust zijn geweest dat niet van alle verklaringen opnamen zijn gemaakt – met name niet van de bekennende verklaring van [medeveroordeelde 2] , die hij ter gelegenheid van zijn 15e verhoor als verdachte op 13 april 1999 in Velp heeft afgelegd. Daarenboven hebben het hof en de verdediging [medeveroordeelde 6] en [medeveroordeelde 1] ook nog uitgebreid ondervraagd over de totstandkoming van hun verklaringen en met name [medeveroordeelde 6] geconfronteerd met een aantal inconsistenties. Niettemin heeft het hof de verklaringen van [medeveroordeelde 6] en [medeveroordeelde 1] betrouwbaar geacht.
"Vervolgens proberen de verhoorders om het verhaal over 2 september 1998 strikt chronologisch van [medeveroordeelde 2] te horen te krijgen. Stapje voor stapje lopen ze de gebeurtenissen door. leder antwoord moet uit [medeveroordeelde 2] getrokken worden."
"De wisselvalligheid van het vorige verhoor ontbreekt hier. Vanaf het moment waarop zijn eerdere bekennende verklaring wordt voorgelezen, ontkent hij niet meer. Toch is duidelijk dat de verhoorders hem zeker niet op alle punten geloven en [medeveroordeelde 2] geeft daar inderdaad alle aanleiding toe. Hij antwoordt niet op de vraag of hij nu de waarheid spreekt ('dat moeten jullie zelf maar uitzoeken'). Hij kondigt aan dat hij vanaf nu nog alleen maar leugens zal vertellen. Hij zegt dat hij gaat liegen als de pijnen in zijn hoofd terugkeren en de verhoorders vragen wijselijk niet of hun vasthoudende wijze van verhoren leidt tot terugkeer van die pijnen; ze zijn ongetwijfeld al blij genoeg dat hij weer gestopt is met ontkennen. Opnieuw hebben we te maken met een bekennende verklaring die een weinig overtuigende indruk maakt.
Het proces-verbaal volgt nauwgezet het verhoor. In het verhoor lopen de verhoorders stapje voor stapje de gebeurtenissen langs en moeten ze steeds ieder antwoord uit [medeveroordeelde 2] trekken. In het proces-verbaal daarentegen heeft het verslag van dit verhoor de vorm gekregen van een doorlopend verhaal van [medeveroordeelde 2] , alsof hij alles gewoon achter elkaar vertelt. De scepsis van de verhoorders is in dit proces-verbaal niet zichtbaar. Wel staat ook in dit proces-verbaal keurig genoteerd dat [medeveroordeelde 2] zegt dat hij gaat liegen als hij hoofdpijnen krijgt."
8.Zes ankerpunten
- p. 15-16)
- “Er is nog een getuige die iets vertelt waarvan de politie denkt dat het te maken heeft met het misdrijf. Deze man reed op de avond van het misdrijf rond zeven uur samen met zijn vrouw over de [a-straat] de stad uit. Direct na het passeren van de villa reed hij over het viaduct over de [c-straat] (…) en even later aarzelde hij om te stoppen op de parallelweg. Hij zag daar langs de kant van de weg een oudere grijsachtige of zilverkleurige auto met open kofferbak staan. Bij de kofferbak stond een man van een jaar of veertig met donker haar. Hij droeg een veelkleurig colbertjasje. De man hoorde volgens deze getuige duidelijk niet thuis in deze omgeving van grote chique huizen. Uiteindelijk besloot de getuige om door te rijden naar een iets verderop gelegen benzinestation. Daar kwam hij, blijkens de beelden van de bewakingscamera, aan om 19.10 uur.
- Heeft deze waarneming iets te maken met het misdrijf? De man moet dit gezien hebben kort vóór tien over zeven. De blauwe Volkswagen Golf zou pas ongeveer een half uur later de oprit van de villa zijn ingereden. De belangrijkste verdachte die is gaan bekennen, bezat echter een oude zilvergrijze Mercedes 190, en de politie dacht dat dit misschien de oudere auto uit deze getuigenverklaring zou kunnen zijn.”
- p. 135-136)
- “Vanaf 11 april 1999 worden de verhoren van [medeveroordeelde 6] niet meer opgenomen en beschikken we dus alleen over processen-verbaal van zijn verhoren. Die processen-verbaal leren hoe het lukt om [medeveroordeelde 6] geleidelijk aan steeds meer te laten zeggen wat de verhoorders graag willen horen. Er valt echter bij gebrek aan opnames niets meer te zeggen over de wijze waarop deze verklaringen tot stand zijn gekomen. De meest redelijke aanname lijkt dat de werkwijze van de politie in deze latere verhoren vergelijkbaar is geweest met de eerdere verhoren die wel zijn opgenomen, en dat betekent dat [medeveroordeelde 6] via gokken en sturend verhoren is toegepraat naar de door de verhoorders gewenste antwoorden. Het is redelijk om aan te nemen dat de geloofwaardigheid van deze latere verklaringen van [medeveroordeelde 6] gelijk is aan die van de eerdere verklaringen die we wél konden onderzoeken, en dat zou betekenen dat ook deze latere verklaringen van [medeveroordeelde 6] alleen iets zeggen over het vermogen van de politie om een verdachte die van niets weet, toch in hoge mate de juiste dingen te laten verklaren. Omdat de geloofwaardigheid van deze verklaringen niet beoordeeld kan worden, zal de inhoud van deze latere bekennende verklaringen slechts betrekkelijk beknopt besproken worden.
- …)
- Op 12 april 1999 verandert [medeveroordeelde 6] weer zijn verhaal over wat hij tijdens het misdrijf had gedaan terwijl hij buiten met de auto wachtte. Aanvankelijk had hij gezegd dat hij toen even heen en weer was gereden naar de [d-straat] . Toen de verhoorders dat niet geloofden, had hij gezegd dat hij al die tijd in de auto had zitten wachten. Toen hij zei dat hij een grasveld had gezien en de verhoorders antwoordden dat hij dit zittend in de auto nooit had kunnen zien, zei hij dat hij ook nog even de auto uit was geweest, en nu, op 12 april, zegt hij dat hij tijdens het wachten ook nog zijn auto verplaatst heeft. Hij was het nabijgelegen viaduct over gereden (…) en hij had zijn auto geparkeerd op een zijweg. Deze wijziging in het verhaal lijkt goed te passen bij de eerder besproken getuige (…), die op 2 september 1998 kort vóór 19.10 uur iets voorbij het viaduct op de parallelweg een oude zilvergrijze auto met open kofferbak had zien staan. Proberen de verhoorders [medeveroordeelde 6] hier naartoe te praten?”
- p. 138-139)
- “Drie weken later, op 18 mei 1999, gaat [medeveroordeelde 6] met zijn twee verhoorders [verbalisant 5] en [verbalisant 4] naar de [a-straat] , naar de plekken waar hij naar eigen zeggen op 2 september 1998 geweest is. In een uitvoerig proces-verbaal beschrijven de verbalisanten wat [medeveroordeelde 6] tijdens dit uitstapje allemaal vertelt. Op aanwijzing van [medeveroordeelde 6] rijden ze de route van 2 september 1998 na vanuit het huis van [medeveroordeelde 1] naar de [a-straat] . (…) Vooral over het wachten tijdens het misdrijf op de [a-straat] vertelt [medeveroordeelde 6] vervolgens allerlei nieuwe dingen.
- …)
- Tijdens het wachten stapte [medeveroordeelde 6] op een gegeven moment uit, deed de kofferbak open om te kijken naar de autoband die eerder die dag vernield was en deed de kofferbak weer dicht. (De lezer herinnert zich de getuige die zei hoe hij op 2 september 1998 kort na 19.00 uur een oude grijze auto had gezien met een kofferbak die open stond.)”
- p. 198)
- “De officier noemt in haar requisitoir wel de oude grijze auto met open kofferbak die gezien is op de zijweg van de [a-straat] aan de andere kant van het viaduct. In latere verhoren verklaart [medeveroordeelde 6] immers dat hij zijn grijze Mercedes verplaatst heeft en dat hij toen ook de kofferbak had geopend, en op deze manier zou deze getuigenverklaring precies passen bij de verklaring van [medeveroordeelde 6] . In werkelijkheid kan dit echter niet of nauwelijks. Het is erg onwaarschijnlijk dat [medeveroordeelde 6] , als hij inderdaad bij het misdrijf gewacht heeft, zijn auto zo verplaatst zou hebben dat hij niet meer zichtbaar was voor de daders als zij uit de villa zouden komen. Bovendien: het de inrit oprijden van de blauwe Volkswagen Golf kan behoorlijk precies in de tijd worden geplaatst: tussen half acht en kwart voor acht. De man die de open kofferbak heeft gezien, is vervolgens doorgereden naar een benzinestation. Daar komt hij volgens de bewakingscamera om 19.10 uur aan. Hij moet dus vóór tien over zeven de open kofferbak hebben gezien. Dat is te vroeg indien de daders pas na half acht zijn komen aanrijden. De officier lost dit probleem enigszins op door deze observatie in de tijd te plaatsen, niet - zoals correct zou zijn - tussen 19.00 en 19.10 uur, maar 'tussen 19.00 uur en 19.30'. Ze zou echter moeten weten dat deze observatie met zekerheid vóór 19.10 uur is gedaan. Voor de strafzaak als geheel maakt dit detail overigens weinig uit: er is hoe dan ook weinig aanleiding om te denken dat deze waarneming iets te maken heeft met het misdrijf.”
- p. 138-139)
- “Drie weken later, op 18 mei 1999, gaat [medeveroordeelde 6] met zijn twee verhoorders [verbalisant 5] en [verbalisant 4] naar de [a-straat] , naar de plekken waar hij naar eigen zeggen op 2 september 1998 geweest is. In een uitvoerig proces-verbaal beschrijven de verbalisanten wat [medeveroordeelde 6] tijdens dit uitstapje allemaal vertelt. Op aanwijzing van [medeveroordeelde 6] rijden ze de route van 2 september 1998 na vanuit het huis van [medeveroordeelde 1] naar de [a-straat] . (…) Vooral over het wachten tijdens het misdrijf op de [a-straat] vertelt [medeveroordeelde 6] vervolgens allerlei nieuwe dingen.
- …)
- [medeveroordeelde 6] liep naar het viaduct in de buurt van de villa. Hij zag dat er naast het viaduct koepels stonden. Hij liep een van die koepels in. Aldus vertelt [medeveroordeelde 6] op 18 mei 1999 tijdens deze reconstructie bij de plaats delict over wat hij op 2 september 1998 gedaan heeft.
- Over die koepels maken de twee verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 4] vervolgens nog een apart proces-verbaal, waarin zij schrijven dat [medeveroordeelde 6] tijdens deze reconstructie een koepel inliep en zag dat er op het plafond een schildering zat (..). De verbalisanten schrijven dat zij niet wisten dat er op het plafond van die koepel een schildering zat. Zo dadelijk zullen we zien waarom de verbalisanten dit detail belangrijk genoeg vonden voor het opstellen van een apart proces-verbaal.”
- p. 141)
- “De volgende dag, op 20 mei 1999, wordt [medeveroordeelde 6] weer verhoord. Opnieuw gaat het om een verhoor dat niet is opgenomen en zijn we dus uitsluitend aangewezen op het proces-verbaal. [medeveroordeelde 6] herinnert zich opnieuw nieuwe details. Hij zegt, net zoals hij twee dagen eerder tijdens de reconstructie al had gezegd, dat hij tijdens het wachten over de brug was gelopen en daar een van de koepels in was gelopen. Hij vertelt nu dat hij toen gezien had dat er in het plafond van die koepel een schildering zat.
- Dit nieuwe detail van die schildering behoeft iets uitvoeriger bespreking, omdat het tijdens de rechtszaak belangrijk zal worden. Het moge duidelijk zijn wat hier gebeurd is. Twee dagen eerder, tijdens de reconstructie, heeft [medeveroordeelde 6] over de brug gelopen volgens de route die hij naar eigen zeggen ook op 2 september 1998 gevolgd heeft. De verhoorders noteren in een apart proces-verbaal dat [medeveroordeelde 6] tijdens de reconstructie een koepel op de brug was ingelopen en dat er schilderingen waren aangebracht in die koepel. 'Wij verbalisanten wisten niet van het bestaan van deze schilderingen.’ [medeveroordeelde 6] heeft de verbalisanten dus tijdens de reconstructie gewezen op de eigenaardige plafondschilderingen in een van de koepels en gezegd dat hij die schilderingen ook op 2 september 1998 had gezien. De verbalisanten beseffen dat [medeveroordeelde 6] hier een treffend detail noemt over de avond van het misdrijf dat zij hem niet hebben voorgezegd; het was immers [medeveroordeelde 6] die hen wees op die schilderingen. En in hun onnozelheid denken zij blijkbaar dat [medeveroordeelde 6] hiermee dus blijk geeft van daderkennis, of althans van kennis die erop wijst dat hij ooit daadwerkelijk in zo'n koepel heeft gestaan. En dat klopt in zekere zin: hij heeft in zo'n koepel gestaan op 18 mei 1999, tijdens de reconstructie, en hij heeft toen die eigenaardige schilderingen gezien, en omdat hij op dat moment naar eigen zeggen de route liep die hij ook op 2 september 1998 had gelopen, zegt hij tegen de verhoorders tijdens de reconstructie en opnieuw twee dagen later tijdens een verhoor dat hij die schilderingen ook al op 2 september 1998 had gezien. Hij doet hier wat hij in deze verhoren steeds doet: hij zegt dingen waarvan hij hoopt dat de verhoorders ze graag willen horen.”
- p. 208)
- “Op 20 juni 2000 is er weer een zitting. (…) [verbalisant 5] zegt ook:
- '[ [medeveroordeelde 6] ] kwam plotseling met het verhaal van de beschilderde koepeltjes op het viaduct. Ik ben daar zelf wezen kijken en het bleek te kloppen.'
- En inderdaad, toen [medeveroordeelde 6] tijdens de reconstructie op 18 mei 1999 zo'n koepeltje inliep en de schildering daarin zag, werd hij vergezeld door [verbalisant 5] en diens collega-verhoorder [verbalisant 4] . [verbalisant 5] en [verbalisant 4] maakten toen nog even een aanvullend proces-verbaal waarin zij erop wezen dat [medeveroordeelde 6] hen bij die gelegenheid had gewezen op die schildering, die zijzelf toen voor het eerst zagen. Maar waarom vermeldt [verbalisant 5] dit? Wat bewijst dit over het misdrijf? Het bewijst alleen eens te meer dat [medeveroordeelde 6] in staat is om iets te zeggen - in dit geval: dat hij die schilderingen ook al op 2 september 1998 had gezien - waarvan hij denkt dat de verhoorders dit graag willen horen. (…)”
- p. 213-214)
- “Op de zitting van 31 oktober 2000 wordt niet alleen [betrokkene 12] gehoord. Ook politiemensen worden gehoord, onder wie [verbalisant 4] , de verhoorder die samen met [verbalisant 5] de meeste verhoren met [medeveroordeelde 6] heeft gedaan. [verbalisant 4] wijst erop dat wat [medeveroordeelde 6] vertelde over de beschilderde koepeltjes bewijst dat hij daar echt geweest is:
- 'Met betrekking tot het verhaal van [ [medeveroordeelde 6] ] over de beschilderde koepeltjes moet ik zeggen dat hij daar daadwerkelijk gelopen moet hebben, anders had hij dat niet kunnen zien.'
- Het klopt natuurlijk wat [verbalisant 4] hier zegt: [medeveroordeelde 6] heeft daar daadwerkelijk gelopen, en wel tijdens de reconstructie op 18 mei 1999. Maar [verbalisant 4] denkt blijkbaar in zijn naïviteit dat daarmee ook de juistheid is bewezen van de daaropvolgende opmerking van [medeveroordeelde 6] dat hij zo’n beschilderd koepeltje ook had gezien tijdens het wachten bij het misdrijf op 2 september 1998. Op 7 november 2000 is er weer een zitting. (…)
- Er worden ook weer politiemensen gehoord, onder wie de man die samen met [verbalisant 18] de leiding had van het politieteam. Deze man zegt opmerkelijke dingen.
- '[ [medeveroordeelde 6] ] had bepaalde dingen verklaard die na te trekken waren. Zijn verklaringen kwamen betrouwbaar over. Zijn tankgedrag bleek te kloppen en ook zijn verklaring met betrekking tot de schilderingen in de koepeltjes van het viaduct in de [a-straat] .’
- Volgens deze mede-teamleider leken de verklaringen van [medeveroordeelde 6] dus te kloppen vanwege zijn tankgedrag. (…) En ook deze mede-teamleider komt weer aanzetten met de niets bewijzende schilderingen in de koepeltjes.”
- p. 222)
- “Het hof noemt in het arrest nog enkele vergelijkbare voorbeelden die zouden pleiten voor de betrouwbaarheid van de verklaringen van [medeveroordeelde 6] en [medeveroordeelde 2] . Het arrest noemt zelfs de plafondschilderingen:
- …)
- En dat andere onderdeel van [medeveroordeelde 6] verklaringen is dat hij gezegd had dat hij ten tijde van het misdrijf over dat viaduct was gelopen. Dat [medeveroordeelde 6] pas over die plafondschilderingen begon te verklaren nadat hij ze gezien had tijdens de reconstructie, en dat deze beschrijving dus niets bewijst over het misdrijf, heeft blijkbaar zelfs het hof niet beseft.”
- p. 28-31)
- “ [medeveroordeelde 5] ontkent dat hij iets met de moord te maken heeft en ontkent aanvankelijk ook dat hij iets weet. De politie verhoort hem eindeloos. (…) Na vijf dagen met lange verhoren die niets opleveren zegt [medeveroordeelde 5] dan ten slotte dat als hij iets belastends zou weten, hij dat niet voor de camera maar alleen op de gang zou durven zeggen. De video-opname van dit verhoor laat zien hoe vervolgens de verhoorders met [medeveroordeelde 5] de verhoorkamer verlaten en ongeveer een kwartier later weer terugkomen. [medeveroordeelde 5] zegt dan direct dat hij in verband met de bewuste avond - en daarmee blijkt hij te bedoelen: de avond van 2 september 1998, de avond van de moord - twee trefwoorden heeft: ' [a-straat] ' en ‘niets te halen'. Dat 'niets te halen' was, zo denkt hij, niet gezegd door [medeveroordeelde 9] , maar door [medeveroordeelde 2] . [medeveroordeelde 5] verklaart dat hij die bewuste avond bij [betrokkene 13] was, toen er tussen half tien en half elf drie mannen binnenkwamen: [medeveroordeelde 9] , [medeveroordeelde 2] en vermoedelijk ook [medeveroordeelde 4] ('kale [medeveroordeelde 4] ’). [medeveroordeelde 2] zou die avond bij [betrokkene 13] gezegd hebben 'dat er in dat huis niets te halen was'.
- Hoe weet [medeveroordeelde 5] dat deze uitspraak van [medeveroordeelde 2] betrekking had op de [a-straat] ? Als [medeveroordeelde 5] inderdaad zeker weet dat dit alles gebeurd is op 2 september 1998, de dag van het misdrijf, dan zou er natuurlijk een gerede kans zijn dat deze opmerking sloeg op de [a-straat] . In eerdere verhoren heeft [medeveroordeelde 5] steeds gezegd dat hij zich die specifieke dag onmogelijk voor de geest kan halen. Hij woonde toen bij [betrokkene 13] . Hij was in die tijd zwaar aan de drank en de coke. Het enige houvast in de tijd is een brief van de Sociale Dienst die de politie bij hem thuis had gevonden, waaruit blijkt dat hij op 2 september 1998 een afspraak bij de Sociale Dienst niet was nagekomen. [medeveroordeelde 5] zegt steeds dat hij zich die specifieke datum absoluut niet kan herinneren. De politie gelooft hem maar half, want als hij zelf heeft deelgenomen aan dit ernstige misdrijf, waarbij zelfs een dode was gevallen, dan zou die specifieke avond hem ongetwijfeld wel zijn bijgebleven.
- In een volgend verhoor vertelt [medeveroordeelde 5] dat er die bewuste avond ook nog een vierde, hem onbekende man was binnengekomen. De politie toont [medeveroordeelde 5] een foto van de man wiens naam in verband met de compositietekening het vaakst was genoemd: [betrokkene 14] . Na enige aarzeling weet [medeveroordeelde 5] zeker dat dit de onbekende vierde man was. De verhoorders maken er geen geheim van dat ze de indruk hebben dat [medeveroordeelde 5] nu eenvoudigweg aan het fantaseren is geslagen.
- …)
- [medeveroordeelde 5] zegt dat hij bij de opmerking over 'niets te halen’ direct aan de [a-straat] had gedacht, omdat hij vrij kort daarvoor samen met [medeveroordeelde 9] , [medeveroordeelde 2] en [medeveroordeelde 4] over die straat had gereden, waarbij ze het huis met de bewakingscamera nader hadden bekeken op mogelijkheden voor een inbraak. De verhoorders menen dat dit nauwelijks kan verklaren waarom [medeveroordeelde 5] bij die opmerking direct aan de [a-straat] had moeten denken, want [medeveroordeelde 5] cum suis bekeken ongetwijfeld wel vaker panden op mogelijkheden tot inbraak. Waarom had hij die bewuste avond dan toch direct aan de [a-straat] gedacht?
- Op deze vraag zijn slechts twee antwoorden mogelijk, aldus de verhoorders. Mogelijkheid één: er was die avond meer gezegd dan alleen maar 'in dat huis was niets te halen', of mogelijkheid twee: [medeveroordeelde 5] had zelf meegedaan aan de overval. [medeveroordeelde 5] ontkent het tweede en probeert tevergeefs zich te herinneren dat er meer was gezegd. Er is natuurlijk nog een derde mogelijkheid: misschien heeft [medeveroordeelde 2] inderdaad wel eens zo'n opmerking gemaakt en verbindt [medeveroordeelde 5] die opmerking met de bewuste avond en met de [a-straat] in de hoop dat hij daarmee de politie tevreden kan stellen, zodat het onderzoek niet langer op hem gericht zal zijn. Als dit is wat [medeveroordeelde 5] gedaan en gehoopt heeft, dan was die hoop tevergeefs. De verhoorders menen nu dat hij niet het achterste van zijn tong laat zien, en houden er duidelijk rekening mee dat hij misschien ook wel zelf aan de overval heeft deelgenomen. Ze hechten weinig geloof aan het verhaal van [medeveroordeelde 5] over de vierde aanwezige man en ze zullen ongetwijfeld ook hun twijfels hebben gehad over de rest van zijn verhalen.
- …)
- [medeveroordeelde 5] zegt dan nog iets wat interessant is. Hij zegt dat hij voor het eerst over de moord op de [a-straat] gehoord heeft van [betrokkene 13] . [betrokkene 13] had hem verteld dat er twee vrouwen waren gedood. Later hoorde hij dat een van de twee het had overleefd. Hij lijkt niet te beseffen dat hij hiermee misschien iets belangrijks onthult. De foutieve informatie over niet één maar twee dode vrouwen kan, als het niet een vergissing of een misverstand is, slechts één bron hebben: de door [betrokkene 15] beschreven schutter. Alleen deze man zal aanvankelijk gedacht hebben dat er twee vrouwen gedood waren. Alle anderen - politie, ambulance, pers - hebben direct gehoord dat er slechts één vrouw was doodgeschoten. En dat moet betekenen dat deze informatie wel eens, direct of indirect, afkomstig zou kunnen zijn van de schutter.
- [betrokkene 13] wordt dan ook direct de volgende dag gehoord door de rechter-commissaris. Zij ontkent dat zij dit gezegd heeft. Toch moet deze opmerking van [medeveroordeelde 5] serieus worden genomen. Want het lijkt onwaarschijnlijk dat hij dit detail van aanvankelijk twee doden eenvoudigweg heeft verzonnen. En er is nog iets wat in die richting wijst. Een bekende van [medeveroordeelde 5] vertelt de politie dat ook hij aanvankelijk dacht dat er bij de moord op de [a-straat] twee doden waren gevallen. Misschien zocht de politie dus wel degelijk in de juiste kringen: ergens in de omgeving van [medeveroordeelde 5] en/of [betrokkene 13] lagen mogelijk contacten met de dader. (Of daders, maar op grond van het verhaal van [betrokkene 15] is er voorlopig geen reden om aan te nemen dat er sprake is geweest van meer dan één dader.) Meer dan speculatie is dit overigens niet. Het misverstand over aanvankelijk twee doden kan ook op allerlei andere manieren zijn ontstaan.”
- p. 32)
- “De politie wil natuurlijk meer weten over de vraag of [medeveroordeelde 2] , zoals [medeveroordeelde 5] verklaard had, op 2 september 1998 bij [betrokkene 13] gezegd heeft dat er in dat huis niets te halen was. [medeveroordeelde 2] bevestigt dat hij wel eens bij [betrokkene 13] is geweest; hij kan niet uitsluiten dat hij daar misschien ook op 2 september 1998 is geweest, maar hij ontkent dat hij iets heeft gezegd in de trant van: dat er in dat huis niets te halen was.”
- p. 161-162)
- “(…) Verhoorder [verbalisant 21] komt dan terug op iets dat [medeveroordeelde 5] weken geleden in een verdachtenverhoor verteld heeft en dat indertijd de voornaamste reden was om [medeveroordeelde 2] aan te houden. Volgens [medeveroordeelde 5] had [medeveroordeelde 2] in de woning van Callgirl [betrokkene 13] op de avond van de overval gezegd dat er in 'dat leegstaande huis' niets te halen was. En dus proberen de verhoorders [medeveroordeelde 2] nu te laten zeggen dat hij na de overval naar het huis van [betrokkene 13] is gegaan en dat [medeveroordeelde 5] daar ook was. [medeveroordeelde 2] zegt dan bij monde van de tolk:
- 'Die vrouw zat recht tegenover mij; ik ben er nooit geweest.’
- Verhoorder [verbalisant 21] zegt dat dit een rare uitspraak is en vraagt [medeveroordeelde 2] nogmaals of hij die avond bij [betrokkene 13] is geweest. [medeveroordeelde 2] antwoordt dat hij dat niet weet en direct daarna zegt hij dat hij daar niet geweest is. Maar, zegt verhoorder [verbalisant 21] , iemand moet toen toch tegen [medeveroordeelde 5] gezegd hebben dat er, anders dan gepland, geen brandkast was buitgemaakt? [medeveroordeelde 2] zegt dat hij wel bij [betrokkene 13] geweest kan zijn, maar dat hij niet de door [medeveroordeelde 5] genoemde uitspraak heeft gedaan dat er in dat huis niets te halen was. Vervolgens zegt [medeveroordeelde 2] dat hij dit niet gezegd heeft, maar dat ze daar gewoon stonden te praten en daaruit trekt verhoorder [verbalisant 21] de conclusie dat [medeveroordeelde 2] die avond dus wel degelijk in de woning van [betrokkene 13] is geweest, en wel samen met [medeveroordeelde 4] en [medeveroordeelde 9] . (…)”
- p. 175-176)
- “Na het misdrijf reden ze naar het huis van [medeveroordeelde 1] , zo vertelt [medeveroordeelde 2] . Vervolgens liep hij terug naar huis. Onderweg naar zijn huis werd hij opgepikt door [medeveroordeelde 9] en [medeveroordeelde 4] . Ze gingen toen met zijn drieën naar het huis van [betrokkene 13] . [medeveroordeelde 7] was daar ook. Nee, niet [medeveroordeelde 7] , maar [medeveroordeelde 5] . De verhoorders willen het verhoor vervolgens brengen op wat [medeveroordeelde 2] toen volgens [medeveroordeelde 5] gezegd had, namelijk dat er in dat grote huis niets te halen was, maar [medeveroordeelde 2] weet direct al waar ze naar toe willen.
- Verhoorder [medeveroordeelde 5] : En toen is er iets tegen [medeveroordeelde 5] gezegd.
- Tolk: Dat heb ik niet gezegd. Ik heb niet gesproken met [medeveroordeelde 5] .
- Ze zijn vrij kort bij [betrokkene 13] gebleven. Daarna heeft [medeveroordeelde 2] eerst [medeveroordeelde 4] en vervolgens [medeveroordeelde 9] naar huis gebracht.
- …) De verhoorders zeggen dat ze van iemand die er ook bij was weten dat er in de woning van [betrokkene 13] naast [medeveroordeelde 9] , [medeveroordeelde 4] en [medeveroordeelde 5] nog iemand was, namelijk [betrokkene 1] . [medeveroordeelde 2] zegt dat hij het zich niet Şkan herinneren.”
- p. 193)
- “Op 28 september 1999 begint de rechter-commissaris met zijn verhoren. [betrokkene 13] , de callgirl bij wie [medeveroordeelde 5] en [medeveroordeelde 7] een poosje in huis hebben gewoond, zegt dat het de politie was die haar verteld had dat de avond waarop ooit [medeveroordeelde 9] , [medeveroordeelde 2] en [medeveroordeelde 4] bij haar waren geweest (en waarop [medeveroordeelde 2] volgens [medeveroordeelde 5] gezegd zou hebben dat er in dat vrijstaande huis niets te halen was), de avond van 2 september 1998 was geweest.”
9.Een onveilige veroordeling?
10.Beoordeling van de aanvraag
an sichals novum aangemerkt maar was een ander nieuw gegeven, te weten een nieuw deskundigenrapport de aanleiding voor het gegrond verklaren van de herzieningsaanvraag.