Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2013:1088

Hoge Raad

Datum uitspraak
1 november 2013
Publicatiedatum
1 november 2013
Zaaknummer
13/03486
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Artikel 80a RO-zaken
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a lid 1 ROArt. 44 lid 3 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart cassatieberoep niet-ontvankelijk in WSNP-zaken

In deze zaak stond de afwijzing van een verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen (WSNP) centraal. De rechtbank Rotterdam wees het verzoek af, waarna het gerechtshof Den Haag dit oordeel bevestigde. Verzoeker stelde vervolgens beroep in cassatie in bij de Hoge Raad.

De Procureur-Generaal stelde zich op het standpunt dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk moest worden verklaard, omdat verzoeker onvoldoende belang had bij het beroep of omdat de klachten niet tot cassatie konden leiden. Verzoekers advocaat reageerde te laat op dit standpunt, waardoor de Hoge Raad deze reactie terzijde legde.

De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen en verklaarde het beroep niet-ontvankelijk op grond van artikel 80a lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Het arrest werd op 1 november 2013 in het openbaar uitgesproken door raadsheer M.A. Loth.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende belang of omdat klachten niet tot cassatie kunnen leiden.

Uitspraak

1 november 2013
Eerste Kamer
nr. 13/03486
RM/GB
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[verzoeker],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. E.J.W.F. Deen.
Verzoeker tot cassatie zal hierna ook worden aangeduid als verzoeker.

1.Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. het vonnis in de zaak C/10/412361/FT-EA 12.2571 van de rechtbank Rotterdam van 25 januari 2013;
b. het arrest in de zaak 200.120.941/01 van het gerechtshof Den Haag van 9 juli 2013.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft verzoeker beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het standpunt van de Procureur-Generaal strekt tot niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep.
De advocaat van verzoeker heeft op dit op 20 september 2013 gedateerde en op 23 september 2013 aan partijen toegezonden standpunt gereageerd bij brief van 8 oktober 2013. Nu deze reactie meer dan twee weken nadat het standpunt aan verzoeker was verzonden, en derhalve na het verstrijken van de termijn van art. 44 lid 3 Rv Pro, bij de Hoge Raad is ingekomen, heeft de Hoge Raad deze brief terzijde gelegd.

3.Beoordeling van de ontvankelijkheid

De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden (zie het standpunt van
de Procureur-Generaal onder 2).
De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a lid 1 RO en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren C.A. Streefkerk, als voorzitter, A.H.T. Heisterkamp en G. de Groot, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.A. Loth op
1 november 2013.