In deze zaak was de vraag of de Inspecteur bij het opleggen van navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) over de jaren 1991 tot en met 1997 de vereiste voortvarendheid in acht had genomen. Het hof had geoordeeld dat de Inspecteur niet voortvarend was geweest, omdat belanghebbende direct informatie had verstrekt over een Luxemburgse bankrekening, waardoor de navorderingsaanslagen eerder hadden kunnen worden opgelegd.
De Hoge Raad analyseerde de correspondentie tussen belanghebbende, haar advocaat en de Inspecteur, waaruit bleek dat er sprake was van een periode van overleg en vragen die de voortgang van het onderzoek beïnvloedden. De Hoge Raad concludeerde dat de Inspecteur wel degelijk voortvarend had gehandeld bij het verkrijgen van de benodigde inlichtingen en het voorbereiden van de navorderingsaanslagen.
Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest van het hof voor zover dit betrekking had op de navorderingsaanslagen over de jaren 1991 tot en met 1997 en de bijbehorende beschikkingen inzake heffingsrente. De navorderingsaanslagen blijven in stand, met een aangepaste boete van 24 procent na kwijtschelding. De Hoge Raad wees proceskostenveroordeling af en sprak het arrest uit op 22 november 2013.