Uitspraak
wonende te [woonplaats],
1.Het geding in feitelijke instantie
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
15 november 2013.
Hoge Raad
Betrokkene verbleef tot 11 maart 2013 in een psychiatrisch ziekenhuis op basis van een machtiging tot voortgezet verblijf. De Officier van Justitie verzocht op 22 februari 2013 opnieuw om een machtiging. De rechtbank behandelde dit verzoek op 12 maart 2013 en liet nader deskundigenonderzoek uitvoeren, waarvan het rapport op 11 april 2013 werd ontvangen. De beslissing volgde op 30 mei 2013, waarbij de machtiging werd verleend en het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen.
Betrokkene stelde in cassatie dat de rechtbank niet binnen de vereiste termijn van vier weken na ontvangst van het deskundigenbericht had beslist, zoals vereist door artikel 5 lid 4 EVRM Pro en de Wet Bopz. De Hoge Raad bevestigde dat de Wet Bopz geen expliciete termijn stelt na ontvangst van het deskundigenbericht, maar dat de rechter wel gehouden is binnen vier weken te beslissen om onaanvaardbare vertraging te voorkomen.
De Hoge Raad oordeelde dat de rechtbank niet binnen deze termijn had beslist en vernietigde de beschikking voor zover de machtiging werd verleend. Tevens verklaarde de Hoge Raad betrokkene niet-ontvankelijk in cassatie tegen de afwijzing van het verzoek tot schadevergoeding, omdat tegen die beslissing hoger beroep openstond. De zaak werd terugverwezen voor verdere behandeling en beslissing.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking voor de machtiging voortgezet verblijf wegens overschrijding beslistermijn en verklaart betrokkene niet-ontvankelijk in cassatie tegen afwijzing schadevergoeding.