Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Slotsom
4.Beslissing
2 juli 2013.
Hoge Raad
De verdachte werd door het hof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld voor diefstal van een portemonnee met pinpas op 13 oktober 2009 te Utrecht. Het bewijs bestond uit aangiften, bankafschriften, camerabeelden van pintransacties en herkenning door politieambtenaren.
De Hoge Raad oordeelde dat de bewezenverklaring met betrekking tot de portemonnee niet voldoende was gemotiveerd op basis van de gebruikte bewijsmiddelen. De motivering voldeed niet aan de wettelijke eisen, waardoor het arrest niet naar de eis der wet was.
Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest uitsluitend voor het tenlastegelegde feit en de strafoplegging en verwees de zaak terug naar het hof voor een nieuwe beoordeling. Het beroep van de verdachte werd voor het overige verworpen.
De uitspraak is gewezen door de vice-president van Schendel en raadsheren Buruma en Wortel op 2 juli 2013.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd voor het tenlastegelegde feit en de strafoplegging en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde behandeling.