ECLI:NL:HR:2013:1364

Hoge Raad

Datum uitspraak
29 november 2013
Publicatiedatum
20 november 2013
Zaaknummer
12/05498
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • J.A.C.A. Overgaauw
  • C.B. Bavinck
  • L.F. van Kalmthout
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10d Wet Vpb 1969Art. 49 VWEUArt. 9 Verdrag Nederland-Denemarken
Verwijzingen
6 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging toepassing renteaftrekbeperking vennootschapsbelasting zonder strijd met EU-recht

Belanghebbende, een Nederlandse vennootschap met een Deense aandeelhouder, kreeg voor de jaren 2006 tot en met 2009 aanslagen vennootschapsbelasting opgelegd waarbij een deel van de rente op leningen niet aftrekbaar werd geacht op grond van artikel 10d Wet Vpb 1969. De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond en oordeelde dat de renteaftrekbeperking niet in strijd is met het beginsel van rechtsvormneutraliteit en artikel 49 VWEU Pro.

Belanghebbende stelde in cassatie dat deze beperking het recht op vrije rechtsvormkeuze schendt en dat artikel 9 van Pro het belastingverdrag Nederland-Denemarken de toepassing van artikel 10d beperkt. De Hoge Raad verwierp deze middelen, stellende dat de situatie van belanghebbende niet vergelijkbaar is met die van een vaste inrichting en dat artikel 9 van Pro het verdrag niet afdoet aan de toepassing van artikel 10d.

De Hoge Raad concludeert dat de renteaftrekbeperking rechtmatig is toegepast en verklaart het cassatieberoep ongegrond. Er worden geen proceskosten aan belanghebbende opgelegd.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en de renteaftrekbeperking blijft van toepassing.

Uitspraak

29 november 2013
nr. 12/05498
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
[X] B.V.te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de
Rechtbank te Haarlemvan 22 oktober 2012, nrs. AWB 12/137 t/m 12/140, betreffende aanslagen in de vennootschapsbelasting en een beschikking als bedoeld in artikel 20b van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969.

1.Het geding in feitelijke instantie

Aan belanghebbende zijn voor de jaren 2006, 2007 en 2008 aanslagen in de vennootschapsbelasting opgelegd, welke aanslagen, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraken van de Inspecteur zijn gehandhaafd. De Inspecteur heeft, gelijktijdig met het vaststellen van de aanslag in de vennootschapsbelasting voor het jaar 2009, het bedrag van het verlies van dat jaar bij beschikking vastgesteld. De beschikking is, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur gehandhaafd.
De Rechtbank heeft de tegen die uitspraken ingestelde beroepen ongegrond verklaard. De uitspraak van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.

2.Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

3.Beoordeling van de middelen

3.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
3.1.1.
Belanghebbende is gevestigd in Nederland en heeft één aandeelhouder, [E] A/S. [E] A/S is een vennootschap opgericht naar Deens recht en gevestigd in Denemarken. [E] A/S heeft een bedrag van € 14.000.000 geleend van een Deense bank. Van dit bedrag is € 10.000.000 doorgeleend aan belanghebbende, die daarmee een op 29 december 2006 voltooide acquisitie van drie in Nederland gevestigde vennootschappen heeft gefinancierd. In 2008 heeft belanghebbende voorts voor een bedrag van € 55.600.000 een acquisitie gedaan van vennootschappen. Zij heeft ter financiering een lening ten bedrage van € 55.000.000 opgenomen bij [E] A/S, die op haar beurt hetzelfde bedrag extern heeft geleend van een Deense bank.
3.1.2.
De Inspecteur heeft met betrekking tot de jaren 2006 tot en met 2009 een deel van de rente die verschuldigd is aan [E] A/S, niet in aftrek toegelaten op grond van de renteaftrekbeperking van artikel 10d van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (hierna: de Wet).
3.2.
De Rechtbank heeft de Inspecteur hierin gevolgd.
Daartoe heeft de Rechtbank verworpen belanghebbendes stelling dat de renteaftrekbeperking van artikel 10d van de Wet wegens schending van het beginsel van rechtsvormneutraliteit in strijd is met de vrijheid van vestiging als bedoeld in artikel 49 VWEU Pro. Volgens de Rechtbank dient de situatie van belanghebbende en [E] A/S in dit verband niet te worden vergeleken met de door belanghebbende aangedragen situatie van een Deense vennootschap met een vaste inrichting in Nederland. In dat geval kan geen sprake zijn van een lening van het hoofdhuis aan de vaste inrichting, omdat dan de lening van de bank direct dient te worden toegerekend aan de vaste inrichting.
De Rechtbank heeft voorts geoordeeld dat artikel 9 van Pro het Belastingverdrag Nederland-Denemarken van 1 juli 1996 (hierna: het Verdrag) niet in de weg staat aan toepassing van artikel 10d van de Wet.
Tegen deze oordelen richten zich de middelen.
3.3.1.
Middel I betoogt dat de Rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het uit artikel 49 VWEU Pro voortvloeiende recht op vrije rechtsvormkeuze niet wordt geschonden.
3.3.2.
Middel I faalt. Van een belemmering is sprake indien door de betwiste regeling objectief vergelijkbare gevallen ongelijk worden behandeld. Een vaste inrichting bevindt zich op het punt van de toerekening van schulden niet in een vergelijkbare situatie als een dochtervennootschap. Indien [E] A/S ervoor gekozen had om zich in Nederland te vestigen door middel van een vaste inrichting zou bij overigens ongewijzigde omstandigheden de externe lening in beginsel aan het vermogen van de Nederlandse vaste inrichting moeten worden toegerekend. Die situatie is objectief vergelijkbaar met de situatie van een dochtermaatschappij met een externe financiering. In beide gevallen is artikel 10d van de Wet niet van toepassing. De schuld aan [E] A/S in het onderhavige geval betreft echter geen externe financiering. De situatie van belanghebbende is wel vergelijkbaar met de denkbare situatie waarin [E] A/S de activiteiten van belanghebbende zelf door middel van een vaste inrichting zou uitoefenen en ter financiering van de acquisities een geldlening zou hebben opgenomen van een met [E] A/S verbonden lichaam, maar de toepassing van artikel 10d van de Wet verschilt dan niet met de toepassing van die bepaling in het onderhavige geval. Het oordeel van de Rechtbank is derhalve juist.
3.4.1.
Middel II betoogt dat de Rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat artikel 9 van Pro het Verdrag niet in de weg staat aan toepassing van artikel 10d van de Wet.
3.4.2.
Ook middel II faalt. Artikel 9 van Pro het Verdrag strekt blijkens haar bewoordingen ertoe de winst te corrigeren indien in de handelsbetrekkingen of de financiële betrekkingen tussen gelieerde partijen voorwaarden zijn aanvaard welke afwijken van die welke tussen onafhankelijke partijen zouden zijn overeengekomen. Aangezien bij toepassing van artikel 10d van de Wet de totale financieringsstructuur van een vennootschap wordt beoordeeld, wordt de toepassing daarvan niet beperkt door het bepaalde in artikel 9 van Pro het Verdrag (vgl. HR 21 september 2012, nr. 10/05268, ECLI:NL:HR:2012:BT5858, BNB 2013/15). Het commentaar bij artikel 9 van Pro het OESO-modelverdrag zoals dit luidt sinds de wijziging in 1992, waarop in de toelichting op het middel een beroep wordt gedaan, biedt onvoldoende steun voor een andersluidende opvatting.
De omstandigheid dat de door [E] A/S aan belanghebbende verstrekte geldleningen mogelijk de enige transacties vormen als gevolg waarvan belanghebbende met de renteaftrekbeperking van artikel 10d van de Wet wordt geconfronteerd, neemt niet weg dat voor de toepassing van artikel 10d van de Wet de totale financieringsstructuur van een vennootschap maatgevend is en kan derhalve aan het voren overwogene niet af doen.

4.Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren C.B. Bavinck en L.F. van Kalmthout, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 29 november 2013.