Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Slotsom
4.Beslissing
3 december 2013.
Hoge Raad
Op 19 mei 2011 ontstond een conflict tussen de verdachte, medeverdachte en het slachtoffer over een geldvordering. Tijdens een confrontatie sloeg verdachte het slachtoffer met een hamer op het hoofd en werd het slachtoffer ook door medeverdachte beschoten. Het hof verklaarde bewezen dat verdachte poging tot doodslag pleegde met voorwaardelijk opzet, maar verwierp het beroep op noodweer.
Het hof oordeelde dat de verdachte en zijn aanhangers de dreiging op een minder drastische wijze hadden kunnen afwenden dan door het slachtoffer te beschieten, en dat de noodweersituatie geen rechtvaardiging bood voor het schieten. De verdachte werd vrijgesproken van medeplegen omdat niet was vastgesteld dat hij wist van het vuurwapen van medeverdachte.
De Hoge Raad stelde vast dat het hof zijn oordeel over het beroep op noodweer onvoldoende begrijpelijk had gemotiveerd, met name omdat het bewezen was dat verdachte het slachtoffer met een hamer sloeg terwijl het hof zelf oordeelde dat de dreiging op een minder drastische wijze kon worden afgewend. Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest en verwees de zaak terug naar het hof voor een nieuwe beoordeling.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest en wijst de zaak terug voor hernieuwde behandeling van het beroep op noodweer.