Conclusie
eerste middelklaagt dat het Hof het door de verdediging gevoerde noodweerverweer onvoldoende dan wel onbegrijpelijk gemotiveerd heeft verworpen nu het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de grenzen van de noodzakelijke verdediging zijn overschreden.
hij op 19 maart 2012 te 's-Gravenhage ter uitvoeringvan het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan eenpersoon genaamd [aangever] , opzettelijk zwaarlichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet meteen mes dichtbij het bovenlichaam van die [aangever]heeft gezwaaid en daarbij die [aangever] met dat mesheeft geraakt in diens bovenlichaam, terwijl deuitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet isvoltooid.”
als de op 19 maart 2013 afgelegde verklaring van [aangever] :
als de op 19 maart 2013 afgelegde verklaring van [betrokkene 1] :
De verklaring van de verdachte.
Noodweer
“Beroep op noodweer(exces)
geboden’ was. Moderner uitgedrukt gaat het om de toets of de verdediging proportioneel was, vooral de keuze van de verdedigingswijze (bijvoorbeeld slaan, steken of schieten) en de intensiteit ervan (zo veel en zo hard slaan, schieten op vitale of minder vitale lichaamsdelen). Die proportionaliteitstoets wordt vooral door de omstandigheden van het geval bepaald. Dat wordt in recente rechtspraak ook benadrukt. Daarbij wordt echter wel aangegeven dat de ‘proportionaliteitstoets ertoe strekt om niet ook dan een gedraging straffeloos te doen zijn indien zij – als verdedigingsmiddel – niet in redelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding’. De precieze manier van verdedigen behoeft dus [
ik, AG, lees: niet] de beste te zijn, beslissend is of die niet in onredelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding.