Uitspraak
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof te ‘s-Hertogenboschvan 9 december 2011, nr. 10/00206, betreffende een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
Hoge Raad
Belanghebbende kreeg voor het jaar 2001 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd. Na bezwaar bleef de aanslag gehandhaafd. Zowel de Rechtbank Breda als het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch verklaarden het beroep ongegrond en bevestigden de aanslag. Belanghebbende stelde vervolgens cassatieberoep in bij de Hoge Raad.
De Hoge Raad oordeelde dat het hofuitspraak niet in stand kon blijven. De kern van het geschil betrof de toerekening van belastingheffing over een bate die verband hield met het Verenigd Koninkrijk. De Hoge Raad stelde dat hoewel het Verenigd Koninkrijk als werkstaat belasting mag heffen, Nederland als woonstaat deze bate in het wereldinkomen mag betrekken met toepassing van een vermindering ter voorkoming van dubbele belasting conform het belastingverdrag Nederland-Verenigd Koninkrijk van 7 november 1980.
De Hoge Raad vernietigde daarom de uitspraken van het hof, de rechtbank en de inspecteur, en mat de navorderingsaanslag naar beneden aan tot een belastbaar inkomen van €464.337, waarbij de vermindering ter voorkoming van dubbele belasting werd berekend over €186.425. Tevens werden proceskosten aan belanghebbende toegekend en werden de staatssecretaris en inspecteur veroordeeld in diverse kosten van het geding.
De uitspraak bevestigt het belang van correcte toepassing van belastingverdragen en het voorkomen van dubbele belastingheffing tussen woon- en werkstaat.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt gegrond verklaard, eerdere uitspraken worden vernietigd en de navorderingsaanslag wordt verminderd met toepassing van een vermindering ter voorkoming van dubbele belasting.