Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Beoordeling van het eerste middel
4.Beoordeling van het tweede middel
5.Slotsom
6.Beslissing
10 december 2013.
Hoge Raad
In deze zaak staat centraal of verweren betreffende de rechtmatigheid van een ontruiming op grond van artikel 551a van het Wetboek van Strafvordering in een strafzaak tegen een verdachte van kraken kunnen worden behandeld door de strafrechter. De verdachte werd verdacht van het wederrechtelijk vertoeven in een pand dat eigendom was van een woningbouwcorporatie en dat was gekraakt. Het pand werd op 1 november 2010 ontruimd door de politie op basis van art. 551a Sv.
De verdediging voerde aan dat de ontruiming onrechtmatig was, onder meer omdat voorafgaande toetsing door een burgerlijke rechter ontbrak, en dat dit gevolgen moest hebben voor de strafzaak. Het hof had echter geoordeeld dat deze verweren niet aan de orde konden komen in de strafprocedure. De Hoge Raad vernietigt dit oordeel en stelt dat de strafrechter in bijzondere gevallen wel moet kunnen toetsen of de ontruiming rechtmatig was, zeker als voorafgaande toetsing ontbreekt.
Daarnaast bevestigt de Hoge Raad dat het begrip 'wederrechtelijk' in art. 138a Sr inhoudt dat het verblijf zonder toestemming van de rechthebbende is en dat het hof dit correct heeft toegepast. De zaak wordt verwezen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden voor hernieuwde berechting. Hiermee wordt de waarborg van het huisrecht van krakers versterkt en wordt duidelijkheid verschaft over de procedurele mogelijkheden in strafzaken rond kraken en ontruiming.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest en verwijst de zaak terug voor hernieuwde berechting waarbij de strafrechter de rechtmatigheid van de ontruiming kan toetsen.