Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Bewezenverklaring, bewijsvoering en het wettelijk en beleidsmatig kader
3.Beoordeling van het eerste middel
4.Beoordeling van het tweede middel
5.Slotsom
10 december 2013.
Hoge Raad
De zaak betreft een strafzaak tegen een verdachte die samen met anderen een kantoorpand in Utrecht kraakte en daar wederrechtelijk verbleef. De ontruiming van het pand vond plaats op basis van art. 551a Sv, zonder voorafgaande toetsing door de burgerlijke rechter. De verdediging voerde aan dat de ontruiming onrechtmatig was en dat voorafgaande rechterlijke toetsing ontbrak, wat volgens hen gevolgen moest hebben voor de strafzaak.
De Hoge Raad stelt dat de strafrechter wel degelijk kan toetsen of de ontruiming rechtmatig was, zeker indien voorafgaande civiele toetsing ontbreekt. Indien de verdachte niet de mogelijkheid heeft gehad om een kort geding aan te spannen, kan dit niet als een vormverzuim worden aangemerkt, maar kan de strafrechter de proportionaliteit van de ontruiming beoordelen en bij ernstige schendingen strafvermindering toepassen.
Verder bevestigt de Hoge Raad dat het begrip 'wederrechtelijk' in art. 138a Sr betekent dat de verdachte zonder toestemming van de rechthebbende in het pand verbleef. Het hof heeft dit oordeel voldoende gemotiveerd en niet onbegrijpelijk geoordeeld.
De Hoge Raad vernietigt het bestreden arrest en verwijst de zaak terug naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden voor hernieuwde berechting en beslissing. Hiermee wordt de mogelijkheid van toetsing van de rechtmatigheid van ontruimingen binnen de strafprocedure bevestigd.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest en verwijst de zaak terug voor hernieuwde berechting waarbij de strafrechter de rechtmatigheid van de ontruiming kan toetsen.