Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Bewezenverklaring, bewijsvoering en het wettelijk en beleidsmatig kader
3.Beoordeling van het eerste middel
4.Beoordeling van het tweede middel
5.Slotsom
6.Beslissing
10 december 2013.
Hoge Raad
In deze zaak stond de strafrechtelijke ontruiming van een gekraakt pand aan de Koningin Wilhelminalaan 7 te Utrecht centraal. Verdachte werd ervan beschuldigd zich wederrechtelijk in het pand te hebben opgehouden, wat sinds 1 oktober 2010 strafbaar is gesteld in art. 138a Sr. De ontruiming vond plaats op basis van art. 551a Sv, waarbij de politie het pand betrad en de krakers verwijderde.
De verdediging voerde aan dat de ontruiming onrechtmatig was, onder meer omdat voorafgaande toetsing door een rechter ontbrak en dat dit verweer niet aan de strafrechter kon worden voorgelegd. Het hof verwierp deze verweren en oordeelde dat de rechtmatigheid van de ontruiming niet in de strafzaak aan de orde kon komen.
De Hoge Raad vernietigde dit oordeel en stelde dat de strafrechter wel degelijk de rechtmatigheid van de ontruiming moet kunnen toetsen, zeker wanneer voorafgaande civiele toetsing ontbreekt. Tevens bevestigde de Hoge Raad dat het begrip 'wederrechtelijk' in art. 138a Sr betekent dat het verblijf zonder toestemming van de rechthebbende plaatsvindt. Het arrest werd verwezen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden voor hernieuwde behandeling.
De uitspraak benadrukt het belang van een onafhankelijke rechterlijke toetsing van ingrijpende maatregelen die het huisrecht raken en bevestigt dat de strafrechter een rol heeft in het beoordelen van de proportionaliteit en rechtmatigheid van ontruimingen in strafzaken.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest en verwijst de zaak terug voor hernieuwde berechting waarbij de strafrechter de rechtmatigheid van de ontruiming kan toetsen.