Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Slotsom
4.Beslissing
10 december 2013.
Hoge Raad
De verdachte werd op 14 november 2008 aangehouden en verhoord zonder voorafgaand te zijn gewezen op zijn recht een advocaat te raadplegen, hetgeen volgens de Salduz-jurisprudentie een vormverzuim oplevert. Het hof oordeelde echter dat dit in dit geval niet tot bewijsuitsluiting leidde omdat verdachte voorafgaand aan het verhoor contact met een raadsman had gehad, gebaseerd op zijn eigen verklaring.
De verdediging voerde aan dat verdachte geen advocaat had geraadpleegd en dat de verklaringen daarom uitgesloten moesten worden. De Hoge Raad herhaalt dat een verdachte vóór het eerste verhoor expliciet gewezen moet worden op zijn recht op advocaat en dat schending hiervan in beginsel leidt tot bewijsuitsluiting, tenzij ondubbelzinnige afstand of dwingende redenen aanwezig zijn.
De Hoge Raad stelt vast dat het hof een onjuiste rechtsopvatting heeft gehanteerd door de verklaring toch te gebruiken zonder dat verdachte vooraf was gewezen op zijn recht. Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest en verwijst de zaak terug naar het hof Arnhem-Leeuwarden voor hernieuwde behandeling van het hoger beroep.
Deze uitspraak bevestigt het belang van het consultatierecht en de strikte toepassing van bewijsuitsluiting bij schending daarvan, conform het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en eerdere jurisprudentie.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest en verwijst de zaak terug voor hernieuwde berechting wegens onjuiste toepassing van het consultatierecht.