ECLI:NL:HR:2009:BH3079
Hoge Raad
- Cassatie
- A.J.A. van Dorst
- J.P. Balkema
- H.A.G. Splinter-van Kan
- C.H.W.M. Sterk
- M.A. Loth
- Rechtspraak.nl
Rechtsbijstand bij politieverhoor en toepassing EHRM-uitspraak Salduz
Deze zaak betreft het beroep in cassatie van een verdachte tegen een arrest van het gerechtshof in Den Haag, waarin de toepassing van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), met name artikel 6, in het kader van politieverhoren centraal staat.
De Hoge Raad bespreekt de uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in de zaak Salduz tegen Turkije, waarin is geoordeeld dat een verdachte recht heeft op toegang tot een advocaat voorafgaand aan het eerste politieverhoor. De Hoge Raad leidt hieruit af dat ook in Nederland een aangehouden verdachte vóór het eerste verhoor gewezen moet worden op zijn recht op raadpleging van een advocaat en dat hem binnen redelijke grenzen gelegenheid moet worden geboden dit recht te verwezenlijken.
De Hoge Raad benadrukt dat het ontbreken van deze mogelijkheid in beginsel een vormverzuim oplevert volgens artikel 359a Sv, dat kan leiden tot bewijsuitsluiting van verklaringen die zijn afgelegd zonder voorafgaande raadpleging van een advocaat. Dit geldt ook voor bewijs dat rechtstreeks voortvloeit uit dergelijke verklaringen, tenzij uitzonderingen zoals afstand van het recht of dwingende redenen van toepassing zijn.
In deze zaak klaagt de verdachte dat hij als minderjarige niet tijdig een raadsman kreeg toegewezen, maar de Hoge Raad oordeelt dat het beroep in cassatie alleen gericht kan zijn tegen rechterlijke uitspraken en handelingen, waardoor het middel faalt. De overige middelen leiden niet tot cassatie en worden verworpen. Het beroep wordt afgewezen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het beroep en bevestigt het recht op voorafgaande raadpleging van een advocaat bij politieverhoor volgens de EHRM-uitspraak Salduz.