Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
10 december 2013.
Hoge Raad
De verdachte heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage, maar heeft niet binnen de in artikel 437, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering gestelde termijn door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie ingediend. Hierdoor is niet voldaan aan de wettelijke vereisten voor ontvankelijkheid in cassatie.
De Advocaat-Generaal heeft geconcludeerd dat de verdachte niet-ontvankelijk verklaard moet worden. De Hoge Raad volgt deze conclusie en oordeelt dat het beroep niet-ontvankelijk is wegens het niet naleven van het termijnvoorschrift.
Het arrest is gewezen door de vice-president en twee raadsheren en uitgesproken tijdens een openbare terechtzitting op 10 december 2013. De beslissing bevestigt het belang van strikte naleving van procedurele termijnen in cassatieprocedures.
Uitkomst: Verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard in cassatie wegens niet tijdig indienen van middelen.