ECLI:NL:HR:2013:1886

Hoge Raad

Datum uitspraak
13 december 2013
Publicatiedatum
12 december 2013
Zaaknummer
12/05098
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 RO
Verwijzingen
3 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt aansprakelijkheid tussenpersoon bij hypotheekaanvraag ondanks vertrouwen in bankmedewerker

In deze zaak stond de vraag centraal of een tussenpersoon aansprakelijk kon worden gehouden voor de behandeling van een hypotheekaanvraag, ondanks dat deze tussenpersoon vertrouwde op de bevoegdheid van een bankmedewerker. De zaak betrof een geschil tussen Royal Food B.V., Bombay Palace V.O.F. en een derde eiser tegen een verweerder.

De procedure begon bij de rechtbank Utrecht met vonnissen in 2005 en werd voortgezet bij het gerechtshof Amsterdam, dat in 2011 een arrest wees. Tegen dit arrest werd cassatie ingesteld bij de Hoge Raad. De Hoge Raad verwees naar de eerdere vonnissen en het arrest van het hof en beoordeelde het cassatieberoep aan de hand van artikel 81 lid 1 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

De Hoge Raad oordeelde dat de klachten in het cassatieberoep niet tot cassatie konden leiden en dat er geen noodzaak was tot nadere motivering omdat de klachten niet relevant waren voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling. Daarmee werd het beroep verworpen en werd de aansprakelijkheid van de tussenpersoon bevestigd. Tevens werden de kosten van het cassatiegeding aan de eisers opgelegd.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de aansprakelijkheid van de tussenpersoon bevestigd.

Uitspraak

13 december 2013
Eerste Kamer
nr. 12/05098
LZ/GB
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
1. ROYAL FOOD B.V.,
gevestigd te Arnhem,
2. BOMBAY PALACE V.O.F.,
gevestigd te Arnhem,
3. [eiser 3],
wonende te [woonplaats],
EISERS tot cassatie,
advocaat: mr. K. Aantjes,
t e g e n
[verweerder],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr. H.J.W. Alt.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] c.s. en [verweerder].

1.Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de vonnissen in de zaak 174491/HA ZA 04-488 van de rechtbank Utrecht van 9 maart 2005 en 23 november 2005;
b. het arrest in de zaak 106.004.732/01 van het gerechtshof te Amsterdam van 13 september 2011.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof hebben [eiser] c.s. beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
[verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Wuisman strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

3.Beoordeling van het middel

De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81lid 1 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] c.s. in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op € 373,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, G. de Groot en M.V. Polak, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.A. Loth op
13 december 2013.