In deze prejudiciële beslissing beantwoordt de Hoge Raad de vraag of artikel 241c lid 2 Faillissementswet (Fw) ook bescherming biedt aan houders van een stil pandrecht op aan de schuldenaar toebehorende zaken tijdens een afkoelingsperiode bij surseance van betaling. De zaak betreft Rabobank en DLL, die stil pandrecht hadden op de inventaris en voorraden van Danvo B.V., welke surseance van betaling kreeg en vervolgens failliet werd verklaard.
Rabobank en DLL hadden tijdig een exploot uitgebracht om afgifte van de verpande zaken te vorderen, terwijl de fiscus geen bodembeslag had gelegd. Zij vorderden dat het fiscaal bodemvoorrecht hen niet kon worden tegengeworpen. De curator betwistte dit. De Hoge Raad overwoog dat art. 241c lid 2 Fw volgens de tekst en strekking alleen ziet op derden die eigenaar zijn van zaken die niet aan de schuldenaar toebehoren, en niet op houders van stil pandrecht op zaken van de schuldenaar zelf.
Verder wees de Hoge Raad op het verschil met het Singulus-arrest, waarin het ging om een derde-eigenaar die zijn zaak opeiste. Hier gaat het om een zaak van de schuldenaar zelf waarop de fiscus verhaal kan uitoefenen. Ook wees de Hoge Raad op de nieuwe art. 22bis Invorderingswet 1990 die de rechten van pandhouders tijdens de afkoelingsperiode beperkt. Daarom geldt de bescherming van art. 241c lid 2 Fw niet overeenkomstig voor houders van stil pandrecht op zaken van de schuldenaar. De prejudiciële vraag wordt aldus beantwoord en de kosten worden begroot.