Uitspraak
gevestigd te Ermelo,
gevestigd te Renswoude,
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
18 september 2013 op die conclusie gereageerd.
4.Beslissing
20 december 2013.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
In deze zaak ging het om de vraag of na schorsing van de verjaringstermijn op grond van art. 32 lid 2 CMR Pro nog stuiting of schorsing van de verjaring mogelijk is volgens nationaal recht (art. 32 lid 3 CMR Pro). Brinky Bouw en Ontwikkeling B.V. had Hazeleger Transporten B.V. aansprakelijk gesteld voor schade aan een zending kuikens die tijdens vervoer was overleden. De verjaringstermijn van één jaar begon te lopen op de dag van aflevering, 29 december 2005. Brinky stelde Hazeleger op 2 januari 2006 aansprakelijk, waarmee de verjaring werd geschorst. Hazeleger wees aansprakelijkheid af op 30 juni 2006, waarna de schorsing eindigde en de resterende termijn doorliep.
Brinky voerde aan dat zij met latere brieven in 2006 en 2007 de verjaring opnieuw had gestuit volgens Nederlands recht. Het hof oordeelde dat dit niet mogelijk was omdat de CMR-regeling van art. 32 lid 2 een Pro uniforme regeling geeft die stuiting naast schorsing uitsluit voor dezelfde vordering. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verduidelijkte dat art. 32 lid 3 CMR Pro verwijst naar nationaal recht voor aanvullende schorsings- of stuitingshandelingen, maar dat deze het uniforme karakter van lid 2 niet mogen doorkruisen.
De Hoge Raad benadrukte dat na schorsing en opheffing daarvan op grond van lid 2 CMR een nieuwe schorsing of stuiting door nationale handelingen voor dezelfde vordering niet mogelijk is. Wel kan de verjaring worden gestuit door het instellen van een eis in rechte of erkenning van de vordering volgens nationaal recht. De conclusie is dat de vordering van Brinky verjaard was toen zij Hazeleger dagvaardde op 5 december 2007. Het cassatieberoep werd verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat de vordering van Brinky was verjaard.