In deze zaak stond het beroep van de verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam centraal, waarin hij werd veroordeeld voor seksueel misbruik van zijn stiefdochter in de periode 1988-1989. De verdediging had verzocht om het horen van twee getuigen, de moeder en de broer van het slachtoffer, maar deze verzoeken werden tijdens een regiezitting afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing. De Hoge Raad bevestigt dat een regiezitting bedoeld is om voorbereidende beslissingen te nemen en dat verzoeken tot het horen van getuigen bij de inhoudelijke behandeling opnieuw kunnen worden ingediend, wat hier niet is gebeurd.
Daarnaast werd het verweer van niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie wegens niet-naleving van de Aanwijzing opsporing en vervolging inzake seksueel misbruik verworpen. De Hoge Raad oordeelt dat de niet-naleving geen ernstig vormverzuim oplevert dat tot niet-ontvankelijkheid leidt.
Ten slotte vernietigt de Hoge Raad het deel van het arrest waarin de schadevergoedingsmaatregel en vordering van de beledigde partij boven het wettelijk maximum van € 680,67 werden toegewezen, omdat de feiten dateren van vóór 1 april 1995, toen de betreffende wetsartikelen nog niet van kracht waren. De vordering boven dit bedrag wordt niet-ontvankelijk verklaard en de opgelegde schadevergoedingsmaatregel wordt vernietigd.