Uitspraak
wonende te [woonplaats],
gevestigd te [vestigingsplaats],
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
20 december 2013.
Hoge Raad
In deze zaak stond de vraag centraal of voor een geldleningsovereenkomst de toestemming van de echtgenote vereist is. De zaak werd in eerste aanleg behandeld door de rechtbank 's-Hertogenbosch, waarna het gerechtshof te 's-Hertogenbosch op 2 oktober 2012 een arrest wees. Tegen dit arrest stelde eiser beroep in cassatie in bij de Hoge Raad.
De Hoge Raad verwees voor het geding in feitelijke instanties naar het vonnis van de rechtbank en het arrest van het hof. De advocaat-generaal adviseerde tot verwerping van het cassatieberoep. De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten geen cassatiegronden opleveren en dat geen nadere motivering nodig is omdat de klachten niet leiden tot beantwoording van rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
Uiteindelijk verwierp de Hoge Raad het beroep van eiser en veroordeelde hem in de kosten van het cassatiegeding. Hiermee werd het arrest van het hof bekrachtigd, waarbij de toepassing van artikel 81 lid 1 RO Pro en artikel 1:88 lid 1 BW Pro centraal stond betreffende de toestemming van de echtgenote bij geldleningsovereenkomsten.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof wordt bekrachtigd.