Uitspraak
wonende te [woonplaats],
wonende te [woonplaats],
1.Het geding
2.Het verdere verloop
3.Beoordeling van de ontvankelijkheid
4.Beslissing
20 december 2013.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de man cassatieberoep ingesteld tegen een uitspraak in een echtscheidingszaak waarin een maandelijks te betalen bedrag was overeengekomen. De Hoge Raad verwijst naar een eerder arrest van 1 november 2013 voor het verloop van het geding tot dat moment.
De Procureur-Generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk moet worden verklaard op grond van artikel 80a lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (RO). De advocaat van de man heeft hierop gereageerd, maar de Hoge Raad oordeelt dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen.
De Hoge Raad stelt vast dat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het beroep of dat de klachten niet tot cassatie kunnen leiden. Gezien artikel 80a lid 1 RO en het advies van de Procureur-Generaal verklaart de Hoge Raad het beroep niet-ontvankelijk en bepaalt dat iedere partij haar eigen kosten draagt.
De uitspraak is gedaan door de raadsheren Van Buchem-Spapens, Heisterkamp en Polak, en in het openbaar uitgesproken door raadsheer Loth op 20 december 2013.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende belang en omdat de klachten niet tot cassatie kunnen leiden.