Uitspraak
de Staatssecretaris van Financiëntegen de uitspraak van de
Rechtbank te Haarlemvan 28 januari 2011, nrs. 08/7996 en 08/7997, betreffende aan
[X] N.V.te
[Z](hierna: belanghebbende) opgelegde naheffingsaanslagen in de dividendbelasting.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
In deze zaak gaat het om de vraag of de dooruitdelingskorting uit artikel 11 van Pro de Wet op de dividendbelasting 1965 van toepassing is op een dividend dat door een Britse dochtervennootschap is uitgekeerd en waarop in het Verenigd Koninkrijk een zogenaamde 'income tax' is geheven.
Belanghebbende, een fiscale eenheid met haar dochtervennootschap Holding BV, ontving in 2005 een dividend van een Britse dochtermaatschappij Plc. Over dit dividend werd in het Verenigd Koninkrijk een belasting geheven die werd verrekend met een belastingkrediet ('tax credit'). De vraag was of deze Britse belasting als een bronbelasting in de zin van artikel 11 van Pro de Wet moest worden aangemerkt, zodat belanghebbende aanspraak kon maken op de dooruitdelingskorting.
De Rechtbank Haarlem oordeelde dat deze Britse belasting wel als bronbelasting moet worden beschouwd en dat het belastingkrediet niet leidt tot vermindering van die bronbelasting. De Staatssecretaris stelde cassatieberoep in tegen deze uitspraak, maar de Hoge Raad verwierp dit beroep. De Hoge Raad bevestigde dat ook belasting die door de ontvanger van het dividend wordt voldaan, als bronbelasting kan gelden en dat het belastingkrediet een teruggaaf is van winstbelasting en geen vermindering van de bronbelasting.
De Hoge Raad veroordeelde de Staatssecretaris tevens in de proceskosten en legde een griffierecht op. Hiermee is de uitspraak van de Rechtbank bevestigd en blijft de dooruitdelingskorting van toepassing op de Britse income tax in deze casus.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt dat de Britse income tax een bronbelasting is waarop de dooruitdelingskorting van toepassing is.