Uitspraak
[X] B.V.te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof te ’s-Gravenhagevan 29 juni 2012, nr. BK-10/00020, betreffende een naheffingsaanslag in de accijns.
Hoge Raad
Belanghebbende, een bedrijf met een accijnsgoederenplaats, kreeg een naheffingsaanslag opgelegd omdat terugzendingsexemplaren van geleidedocumenten vals waren afgetekend en de goederen niet op de bestemming waren aangekomen. Na onderzoek door de belastingdienst en bevestiging door de Britse douane werd geconcludeerd dat de onregelmatigheid in Nederland had plaatsgevonden.
Het Hof bevestigde de naheffingsaanslag en oordeelde dat de termijn van vier maanden voor het leveren van bewijs was verstreken, zonder dat belanghebbende aannemelijk had gemaakt dat de onregelmatigheid elders had plaatsgevonden. De Hoge Raad stelde echter dat belanghebbende na mededeling van de valsheid van de geleidedocumenten een termijn van twee tot drie maanden moet krijgen om bewijs te leveren.
Omdat de naheffingsaanslag binnen vijf weken na mededeling werd opgelegd, was er onvoldoende tijd om bewijs te leveren. De Hoge Raad vernietigde daarom de uitspraak van het Hof en de naheffingsaanslag en veroordeelde de Staat tot vergoeding van griffierechten en proceskosten.
Uitkomst: De naheffingsaanslag accijns wordt vernietigd omdat belanghebbende onvoldoende tijd is geboden om bewijs te leveren na mededeling van valsheid van geleidedocumenten.