Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
3.Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
4.Slotsom
5.Beslissing
10 september 2013.
Hoge Raad
De verdachte, geboren in 1990, stelde beroep in cassatie in tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 27 mei 2011. Het cassatieberoep betrof de strafzaak waarin jeugddetentie was opgelegd.
De Advocaat-Generaal concludeerde tot vernietiging van het arrest voor wat betreft de duur van de opgelegde jeugddetentie en adviseerde vermindering naar de gebruikelijke maatstaf, met verwerping van het beroep voor het overige. De Hoge Raad oordeelde dat de middelen niet tot cassatie konden leiden en dat geen nadere motivering nodig was.
Ambtshalve stelde de Hoge Raad vast dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro was overschreden, aangezien meer dan zestien maanden waren verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dit leidde tot vermindering van de opgelegde jeugddetentie met twee maanden.
De Hoge Raad vernietigde het bestreden arrest uitsluitend wat betreft de duur van de jeugddetentie en stelde deze vast op een maand en drie weken. Het beroep werd voor het overige verworpen. Het arrest werd uitgesproken op 10 september 2013 door de strafkamer van de Hoge Raad.
Uitkomst: De opgelegde jeugddetentie is verminderd tot een maand en drie weken wegens overschrijding van de redelijke termijn.