Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Beoordeling van het vierde middel
4.Slotsom
5.Beslissing
17 september 2013.
Hoge Raad
De Hoge Raad behandelt het cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Leeuwarden waarin de verdachte werd veroordeeld tot de tenuitvoerlegging van voorwaardelijke geldboetes. Het strafbare feit waarover de tenuitvoerlegging werd gevorderd, vond plaats op 12 september 2007, terwijl het vonnis waarbij de voorwaardelijke straffen werden opgelegd dateert van 16 april 2008.
De Hoge Raad stelt vast dat op grond van artikel 14c, eerste lid, oud Wetboek van Strafrecht, de tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde straf niet kan worden gelast voor een strafbaar feit dat vóór de uitspraak waarbij de voorwaardelijke straf is opgelegd is gepleegd. Dit volgt uit de bewoordingen en de ratio van de algemene voorwaarde in dat artikel.
Daarom oordeelt de Hoge Raad dat het Hof ten onrechte de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke geldboetes heeft bevolen. De Hoge Raad vernietigt dit onderdeel van het arrest en wijst de vordering tot tenuitvoerlegging af. Het beroep wordt voor het overige verworpen. De Hoge Raad besluit om de zaak zelf af te doen omwille van de doelmatigheid.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de last tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke geldboetes omdat het strafbare feit vóór het vonnis is gepleegd.