Conclusie
3.Het eerste middel
1. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 15 maart 2017, met bijlage goederen (pg. 7-9), voor zover inhoudende als verklaring van aangever [betrokkene 1] :
(het hof begrijpt: 14 maart 2017) bij [verdachte] was?
Parket bij de Hoge Raad
De verdachte werd door het gerechtshof 's-Hertogenbosch veroordeeld tot drie maanden gevangenisstraf wegens diefstal van een motor in vereniging met een ander. Het hof baseerde zijn oordeel op bewijsmiddelen waaronder verklaringen van getuigen, politieverslagen en WhatsApp-berichten die een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en een medeverdachte aantoonden.
De verdediging voerde aan dat de strafverzwarende omstandigheid "in vereniging met een ander" niet voldoende was gemotiveerd en dat het hof ten onrechte aansluiting had gezocht bij LOVS-oriëntatiepunten voor braak of verbreking, terwijl die niet bewezen waren. Ook werd bezwaar gemaakt tegen de toewijzing van de tenuitvoerlegging van voorwaardelijke straffen, omdat de verlenging van de proeftijd pas na het delict was bevolen.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof terecht had vastgesteld dat de verdachte een bijdrage van voldoende gewicht had geleverd aan het delict en dat het niet vereist is dat de mededader als medepleger wordt aangemerkt. De strafmotivering was begrijpelijk, ook al was geen braak of verbreking bewezen, omdat een strafverzwarende factor van samenwerking aanwezig was. De toewijzing van de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straffen was eveneens correct omdat de proeftijd ten tijde van het delict reeds gold.
Alle middelen van cassatie faalden en het beroep werd verworpen, waarmee het arrest van het hof in stand bleef.
Uitkomst: Het cassatieberoep werd verworpen en de veroordeling tot drie maanden gevangenisstraf wegens medeplegen diefstal van een motor bleef in stand.