Belanghebbende kreeg navorderingsaanslagen opgelegd over de jaren 1991 tot en met 2000 in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) en vermogensbelasting (VB). Het Gerechtshof had deze aanslagen deels verminderd en kwijtscheldingen toegekend na beroep van belanghebbende.
In cassatie stelde de Hoge Raad vast dat bij de navorderingsaanslagen over 1996 en 1997 in de IB/PVV en 1997 en 1998 in de VB sprake was van een onverklaarbare vertraging van meer dan zes maanden, waardoor de vereiste voortvarendheid ontbrak. Tevens oordeelde de Hoge Raad dat het Hof ten onrechte had geoordeeld dat het bewijs van het beboetbare feit niet was geleverd voor de verhoging in de VB over 1996.
De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest van het Hof voor deze onderdelen, vernietigde de navorderingsaanslagen en de bijbehorende besluiten, en kende gedeeltelijke kwijtschelding toe. Daarnaast werd de Staat veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht en de proceskosten aan de zijde van belanghebbende.