Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
3.Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
4.Slotsom
5.Beslissing
24 september 2013.
Hoge Raad
De Hoge Raad behandelde het cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam. Het beroep werd ingesteld door de verdediging en ondersteund door twee advocaten. De Advocaat-Generaal adviseerde tot verwerping van het beroep, waarop de verdediging schriftelijk reageerde.
De Hoge Raad oordeelde dat de middelen van cassatie niet tot vernietiging konden leiden en dat geen rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling hoefden te worden beantwoord. Wel stelde de Hoge Raad vast dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro was overschreden, aangezien meer dan twee jaar waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep.
Als gevolg daarvan werd de opgelegde gevangenisstraf van twintig maanden ambtshalve verminderd tot negentien maanden. De rest van het beroep werd verworpen. Hiermee werd het arrest gedeeltelijk vernietigd en zelf afgedaan door de Hoge Raad.
Uitkomst: De gevangenisstraf is ambtshalve verminderd van twintig naar negentien maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.