Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
24 september 2013.
Hoge Raad
De verdachte stelde cassatieberoep in tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem uit 2012. Namens verdachte diende advocaat mr. R.J. Baumgardt een middel van cassatie in. De Advocaat-Generaal adviseerde het beroep niet-ontvankelijk te verklaren op grond van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie (RO).
De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten onvoldoende waren om behandeling in cassatie te rechtvaardigen. Dit was omdat de verdachte onvoldoende belang had bij het cassatieberoep of omdat de klachten niet tot cassatie konden leiden. Gezien deze overwegingen en het advies van de Procureur-Generaal werd het beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Het arrest werd op 24 september 2013 uitgesproken door de Strafkamer van de Hoge Raad, waarbij vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter en raadsheren B.C. de Savornin Lohman en V. van den Brink aanwezig waren.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte is niet-ontvankelijk verklaard door de Hoge Raad.