Uitspraak
wonende te [woonplaats], doch feitelijk verblijvende in het Verenigd Koninkrijk,
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van de middelen
4.Beslissing
27 september 2013.
Hoge Raad
In deze zaak hebben de moeder en de vrouw beroep in cassatie ingesteld tegen de beschikking van het gerechtshof te ’s-Gravenhage van 5 september 2012, die het verzoek om vervangende toestemming tot erkenning van het kind betrof. De man, die feitelijk in het Verenigd Koninkrijk verblijft, heeft geen verweerschrift ingediend.
De Hoge Raad verwijst naar de eerdere beslissingen van de rechtbank Rotterdam en het gerechtshof en overweegt dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie kunnen leiden. Gezien artikel 81 lid 1 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is geen nadere motivering vereist omdat de klachten geen rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling oproepen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal strekte tot verwerping van het beroep, hetgeen de Hoge Raad volgt. Het beroep wordt verworpen en de beschikking van het gerechtshof wordt bekrachtigd.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt verworpen en de beschikking van het gerechtshof wordt bekrachtigd.