Belanghebbende was geconfronteerd met navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en vermogensbelasting over meerdere jaren, inclusief verhogingen, boeten en heffingsrente. Na bezwaar werden deze aanslagen en beschikkingen gehandhaafd door de Inspecteur, waarna belanghebbende beroep instelde bij het hof.
Het hof verklaarde het beroep gegrond voor zover het de verhogingen en boeten betrof, vernietigde de desbetreffende uitspraken van de Inspecteur, verleende gedeeltelijke kwijtschelding en vermindering van boeten, en verklaarde het beroep voor het overige ongegrond.
Belanghebbende stelde vervolgens cassatieberoep in bij de Hoge Raad met acht middelen. De Hoge Raad oordeelde dat deze middelen niet tot cassatie konden leiden en dat geen nadere motivering nodig was, omdat de middelen geen rechtsvragen opriepen die van belang waren voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
De Hoge Raad wees ook een veroordeling in proceskosten af en verklaarde het cassatieberoep ongegrond. Het arrest werd gewezen door de vice-president en vier raadsheren in aanwezigheid van de waarnemend griffier en openbaar uitgesproken op 27 september 2013.