Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
3.Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
4.Slotsom
5.Beslissing
1 oktober 2013
Hoge Raad
De verdachte stelde beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin een geldboete en een vervangende hechtenis waren opgelegd. De Advocaat-Generaal adviseerde het beroep te verwerpen. De Hoge Raad oordeelde dat de middelen niet tot cassatie konden leiden en dat geen rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling hoefden te worden beantwoord.
De Hoge Raad stelde vervolgens ambtshalve vast dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM was overschreden, aangezien meer dan twee jaar waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. Dit leidde tot een vermindering van de opgelegde geldboete van € 1.100,- naar € 1.045,- en een vermindering van de vervangende hechtenis van 22 naar 20 dagen.
De Hoge Raad vernietigde het bestreden arrest uitsluitend voor deze onderdelen en verwierp het beroep voor het overige. Het arrest werd uitgesproken op 1 oktober 2013 door de strafkamer van de Hoge Raad.
Uitkomst: De Hoge Raad vermindert de geldboete tot € 1.045,- en de vervangende hechtenis tot 20 dagen wegens overschrijding van de redelijke termijn.