Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
1 oktober 2013.
Hoge Raad
De verdachte heeft bij de Hoge Raad beroep in cassatie ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem van 9 juli 2012. Namens de verdachte heeft een advocaat een middel van cassatie ingediend. De Advocaat-Generaal heeft geadviseerd het beroep niet-ontvankelijk te verklaren op grond van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie (RO).
De Hoge Raad heeft het cassatieberoep inhoudelijk beoordeeld en geoordeeld dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen. Dit omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep en/of omdat de klachten niet tot cassatie kunnen leiden.
Op basis hiervan heeft de Hoge Raad, na overleg met de Procureur-Generaal, het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Het arrest is uitgesproken op 1 oktober 2013 door de Strafkamer van de Hoge Raad, waarbij de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter en de raadsheren J. de Hullu en V. van den Brink aanwezig waren.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard en niet inhoudelijk behandeld.