Uitspraak
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de
Rechtbank te ’s‑Gravenhagevan 26 november 2012, nrs. AWB 12/3159 en AWB 12/3160.
Hoge Raad
Belanghebbende heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank te ’s‑Gravenhage van 26 november 2012. De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende op 25 februari 2013 per aangetekende brief gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht en een betalingstermijn van vier weken gesteld. Deze brief is volgens Track&Trace ontvangen, maar het griffierecht is niet betaald.
Vervolgens heeft de griffier op 11 april 2013 belanghebbende opnieuw per aangetekende brief verzocht om een verklaring voor het niet tijdig betalen van het griffierecht. Deze brief kon niet worden bezorgd en werd na adresverificatie alsnog per gewone post verzonden, maar belanghebbende heeft niet gereageerd.
Op grond van artikel 8:41, lid 2, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verklaart de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk. De Hoge Raad ziet geen aanleiding om proceskosten aan belanghebbende toe te rekenen.
Het arrest is uitgesproken op 28 juni 2013 door raadsheren Schaap, Fierstra en Koopman in aanwezigheid van waarnemend griffier Treuren.
Uitkomst: Het beroep in cassatie is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht.